Overdag schoonmaken en 's avonds achter de kassa

In Nederland groeit het aantal mensen met laagbetaalde banen.

Ze verdienen vaak zo weinig dat ze met één baan niet kunnen rondkomen.

Jaap Zwaal: „Het liefst had ik een fulltime baan.” Foto’s Chris de Bode

Ooit leken de working poor een typisch Amerikaans verschijnsel. Banen bij supermarkten of in de schoonmaak leveren daar zo weinig op, dat iemand er twee of drie nodig heeft om rond te kunnen komen. Hoewel het in Nederland nog niet zo erg is, groeit in dit land de groep mensen die aan de onderkant van de arbeidsmarkt werkt: 1,25 miljoen mensen. Hun aantal is de afgelopen dertig jaar verdubbeld, de kans dat ze doorstromen naar beter werk is klein.

„We willen de werkende armen zichtbaar maken”, zei Agnes Jongerius, voorzitter van de grootste vakcentrale FNV, vorige week tijdens de presentatie van het boek Onzeker bestaan over het leven aan de rafelrand van de arbeidsmarkt. Het boek, geschreven door publicist Will Tinnemans met foto’s van Chris de Bode, bevat ruim twintig verhalen van werkende armen in Nederland.

Armoede wordt in Nederland volgens Jongerius niet echt serieus genomen. Het land is zo rijk, dat niemand zich kan voorstellen dat er mensen zijn, die met verschillende baantjes een schamel inkomen bij elkaar sprokkelen, zegt ze.

Het is een stille groep die niet van zich laat horen. Veelal alleenstaande moeders, maar ook gescheiden mannen en mensen met een ‘krasje’, zoals ze het noemt. „Vaak hoor je de dooddoener dat mensen maar moeten werken voor hun geld. Deze mensen werken, maar verdienen zo weinig dat één baan vaak niet genoeg is”, zei Jongerius.

Nu de economie terugloopt, is deze groep extra kwetsbaar. Ze komen eerder op straat te staan. Ze maken deel uit van de groep van twee miljoen flexibele arbeidskrachten, die van het ene naar het andere tijdelijke contract hoppen, op afroep beschikbaar zijn en vaak op onaantrekkelijke tijden werken. De werkende armen verdienen gemiddeld 10 euro bruto per uur, en vaak zelfs nog minder, en liggen wakker omdat hun kinderen niet op zwemles kunnen of omdat er geen geld is voor een schoolreisje.

Waarom is het de vakbeweging eigenlijk niet gelukt paal en perk te stellen aan flexcontracten? Een aantal FNV-bestuurders steekt de hand in eigen boezem. „We hebben deze problemen onderschat en ons te veel gericht op mensen met vaste arbeidscontracten”, erkent Edith Snoey, voorzitter van vakbond Abvakabo (onderwijs, verpleging).

Deze crisis maakt zichtbaar dat als je eenmaal aan de onderkant van de arbeidsmarkt zit, je er niet meer uitkomt, zegt Henk van der Kolk, voorzitter van FNV Bondgenoten (industrie, diensten). Onder invloed van marktwerking en globalisering ontstond er volgens hem „een waaier” aan flexcontracten. „Daar moet de vakbeweging paal en perk aan gaan stellen.”