Open het dorp

Langzaam maar zeker ploegt president Obama zich een weg door de puinhopen van zijn voorganger. In zijn twee ambtstermijnen had George W. Bush het vredesproces tussen Israël en Palestina praktisch op zijn beloop gelaten. Premier Netanyahu was op bezoek in Washington. Obama heeft hem gezegd dat Amerika een Palestijnse staat wil en niet nog meer Israëlische nederzettingen op de westelijke Jordaanoever. Netanyahu blijft voorstander van Palestijns zelfbestuur. Meer niet. Maar daarover wil hij dan onmiddellijk met de Palestijnen in onderhandeling. Hij noemde geen partij of vertegenwoordiger bij naam. Over Iran zei Obama dat Amerika zich een „reeks van stappen voorbehoudt, daarbij inbegrepen zwaardere internationale sancties” als het land verder zou gaan met de bouw van een kernwapen. Daarmee was het wel bekeken. Maar, rapporteerden de verslaggevers, „de lichaamstaal tussen beide heren was positief”. Beschouw dit als een goed begin.

Hoe zal de Amerikaanse houding tegenover Teheran zich verder ontwikkelen? De politiek van Bush, zoveel mogelijk isoleren en dreigen met sancties, heeft een averechts effect gehad. Of Iran nu aan een kernwapen werkt of niet, het is op weg om de machtigste mogendheid van het Midden-Oosten te worden. Dat wordt door de steun van Teheran aan Hamas en Hezbollah nog eens extra bevestigd. En die ontwikkeling wekt automatisch weer het wantrouwen van de grote Arabische naties, Egypte en Saoedi-Arabië.

Obama heeft verklaard dat hij voor het Iraanse probleem een diplomatieke oplossing wil. Door de Arabische achterdocht wordt hij in zijn vrijheid van handelen beperkt. Maar over één ding lijken de partijen het voorlopig eens te zijn: de mogelijke Israëlische oplossing, het bombarderen van de Iraanse kerninstallaties zou een catastrofe zijn. En in het verzet tegen een Iraans kernwapen staan Israël en Amerika niet sterk. Ik citeer Roger Cohen, columnist van de International Herald Tribune (18 mei) die Obama een goede raad geeft. Tegen Netanyahu zou hij het volgende moeten zeggen. „Arabieren vertellen me in vertrouwen dat je de Iraniërs niet het bezit van de bom kunt ontzeggen als Israël die wel heeft. Dat is meten met twee maten. En daar zouden ze weleens gelijk in kunnen hebben.” Op die mening valt wel het een en ander af te dingen, Obama heeft deze raad niet opgevolgd, maar nu gaat het om wat de Arabieren denken.

Volgende probleem: Pakistan. Onder president Musharraf, destijds een goede vriend van Bush, had het land de strijd tegen de Talibaan verwaarloosd terwijl het leger deed alsof in het grensgebied met Afghanistan stevig werd gevochten. Musharrafs opvolger, Asif Zardari, heeft het serieuzer aangepakt en een grote aanval op de vijand in de Swat-vallei geopend waardoor enige honderdduizenden mensen op de vlucht zijn geslagen. De Amerikaanse opperbevelhebber generaal McKieman is vervangen door generaal McChrystel die in Irak zijn sporen verdiend heeft. President Karzai hoopt dat er nu minder burgerslachtoffers zullen vallen.

Intussen ziet Al-Qaeda in de groeiende chaos in Pakistan nieuwe kansen. Deze strijders, van Arabische herkomst, hebben zich in deze regio met de Talibaan verenigd, kennelijk met resultaat, want het aantal aanslagen is toegenomen. Volgens de CIA is de vijand van strategie veranderd: die concentreert zich nu op locale aanvallen in plaats van internationaal terrorisme. Een adviseur van Obama voor de strategie in Afghanistan en Pakistan, Bruce Riedel, heeft onlangs in een interview gezegd dat „Pakistan de meeste terroristen per vierkante mijl ter wereld heeft, en dat het kernwapenprogramma daar ook het snelst groeiende ter wereld is”. Geschat wordt dat het land tachtig tot honderd bommen heeft.

Dit zijn een paar beelden uit sectoren van het grote front dat Obama heeft geërfd. Over de crisis, de gezondheidszorg en het onderwijs hebben we het nu niet. Het gaat om het kleine aandeel dat Nederland in de reconstructie heeft of zou kunnen hebben. Aan de deconstructie hebben we op een bescheiden manier deelgenomen, door onze steun aan de aanval op Irak en later door onze militaire aanwezigheid daar. Hoe dat precies in zijn werk ging, wordt nu door de commissie van Willibrord Davids onderzocht. Terwijl George W. Bush nog president was en niemand er een flauw idee van had door wie hij zou worden opgevolgd en hoe de Amerikaanse buitenlandse politiek er dan uit zou zien, hebben we voor onze militaire aanwezigheid in Afghanistan tot 2010 bijgetekend. Onlangs liet de opperbevelhebber van de strijdkrachten, generaal Van Uhm, in een interview met deze krant weten dat „de vooruitgang in Uruzgan gigantisch is”. Je wilt hem graag geloven, maar is dit langzamerhand niet het enige gebied op de planeet waarvan dit gezegd kan worden?

Nederland heeft de reputatie dat het zich internationaal oriënteert en naar vermogen zijn partij in de wereldpolitiek meeblaast. In werkelijkheid worden we meer en meer beziggehouden door onze giftige plaatselijke ruzies. Het drama dat zich in de grote wereld afspeelt valt buiten onze horizon. Je zou willen dat er eens een Nederlandse Obama verscheen, niet om een wonder te verrichten, maar om de ramen en de deuren naar de wereld weer te openen, zodat we in ieder geval weer kunnen weten waar we in ons dorp aan toe zijn.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc/nlhofland

    • H.J.A. Hofland