Om de democratie

Twee desillusies heeft het Lagerhuis op zijn geweten. De eerste is de ontmaskering van een mythe. Wie dacht dat Britten retorisch superieur zijn, vergist zich. De voorzitter van het oudste parlement ter wereld blijkt een brabbelaar. Speaker Michael Martin had gisteren maar 71 woorden nodig om aan te kondigen dat hij wegens het declaratieschandaal aftreedt, maar zelfs die moest hij van papier voorlezen.

Dat Martin, de tweede speaker sinds 1695 die sneuvelt, zijn ondergang niet met decorum kon presenteren, zegt iets. Hij heeft een einde gemaakt aan een eeuwenoude traditie dat het House of Commons als ‘herenclub’ wordt bestierd maar tevens de democratie dient. Dat is de tweede desillusie.

De declaratiemoraal in het Lagerhuis is niet alleen pijnlijk voor de parlementariërs die alles in rekening brachten: van wc-papier tot niet-bestaande hypothecaire leningen, kortom, van belachelijke maar reglementaire uitgaven tot mogelijk ronduit frauduleuze kosten. Dat zij te kijk staan als krabbelaars, kan nog een overzichtelijk probleem blijven. De onweerstaanbare ironie die veel Britten eigen is, zeker in de hogere sociale lagen, zal de affaire wellicht tot hilarische proporties relativeren. En door het districtenstelsel is het voor protestpartijen buiten het establishment moeilijk om via verkiezingen machtsposities te verwerven.

Maar dat de Britse democratie in verlegenheid is gebracht, kan wel onvoorzienbare gevolgen hebben. Begin juni kan dat al blijken. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, die in Groot-Brittannië volgens een gemengd kiesstelsel worden gehouden, kunnen ze thuisblijven. Maar ze kunnen op deze dag, waarop tevens regionale lichamen moeten worden verkozen, ook overlopen naar de United Kingdom Independence, die uit de EU wil stappen, of de xenofobe British National Party. Het zou een wonder zijn als alleen de Conservatieven electoraal zouden profiteren.

Het schandaal heeft bovendien een bredere dimensie. Dit soort affaires zijn te allen tijde slecht voor het aanzien van de democratie. Maar nu kunnen ze nog schadelijker zijn. De parlementaire democratie wordt sluipend in steeds bredere kring gehekeld als een bestuursvorm die geen ‘leiders’ meer voortbrengt, de volkswil niet vertegenwoordigt en zichzelf alleen bureaucratisch in stand kan houden. Die geluiden beperken zich niet tot de borreltafels waar kankeren over de ‘zakkenvullers in het praathuis’ altijd al de norm was. Ook onder de burgerij is die kritiek te horen.

De Lagerhuisleden hebben dus niet alleen zichzelf in diskrediet gebracht, maar ook de parlementaire democratie, waarvan de Commons de ‘moeder’ zegt te zijn. Want de klok kan erop gelijk worden gezet dat ook elders in Europa nu gespit gaat worden in de financiële handel en wandel van parlementariërs. Pijnlijke onthullingen liggen in het verschiet. Parlementen doen er verstandig aan daarop niet te wachten. Ze kunnen beter op eigen houtje nu al kritisch naar theorie en praktijk van de eigen boekhouding kijken. Omwille van niets minder dan het gezag der parlementaire democratie.