Geheimen in de tent

Vuurspuwers, dieren, goochelaars en rotjongens: het circus doorbreekt de sleur van alledag zeker in een dorp. Jammer dat er zo weinig over verteld mag worden.

Naast standaard verrassingen kent het circus verplichte nummers zoals het betere gooi- en smijtwerk. (Foto Armando Martini) Martini, Armando

De derde wereld leeft en bestaat in Nederland. Die wereld heet Duivendrecht en daar woon ik. Ivo de Wijs constateerde ooit: „Uren, dagen, maanden, jaren/ Vliegen als een schaduw heen/ Zij die eens gelukkig waren / Wonen nu in Amstelveen”. Heeft Duivendrecht weer: rijmt niet op ‘heen’, maar dwingend op ‘slecht’.

Maar dit vergeten dorp in de oksel van Amsterdam heeft iets wat alle dorpen in de derde wereld redt, in ieder geval in de wereldliteratuur.

Net als in het dorp Macondo in Honderd jaar eenzaamheid, de roman van Gabriel García Márquez, doorbreekt een circus de schaduw van ons bestaan. Ieder jaar strijkt het neer, met jongleurs, vuurspuwers en een trapeze, op het grasveld van ons zelfmoordparkje tussen de hoogbouw. Op een steenworp daarvan, bij de kinderhang- en jankplek achter ons huis, is het de afgelopen dagen een gejengel en gesteggel van jewelste geweest. De ene mag wel, de andere is net ergens anders geweest waar de toegangsprijs ook hoog was. Maar voor de onze is het een ritueel aan het worden en dit jaar mag ik mee.

Het circus doet wat een circus moet doen: verrassen. De verrassing begint bij de kassa waar de kassajuffrouw ziek is en wordt vervangen door een invalster. In de rij zie ik de islamitische dame voor mij kortingsbonnen uit haar tas pakken. Waar ze die vandaan heeft? Daarop draait de dame voor haar, onze overbuurvrouw Jacqueline, zich om en geeft haar overtollige kortingskaarten. „Heb ik over. Ik wist dat ik hier bekenden zou tegenkomen.”

In een dorp help je elkaar. Nabuurschap! Dat de korting vervolgens door de kassajuffrouw vakkundig en geraffineerd onder het kleed wordt geveegd, doet daar niets aan af. Ik gun ze iedere euro als ze maar volgend jaar weer neerstrijken. Helaas kan ik van de topacts niets verraden. Maar ik had tegen de kinderen gezegd dat er geen dieren zouden zijn en dat was niet zo. Zo introduceert ‘de directeur’ het Darwinisme aan de hand van een zeeleeuw. En er zijn meer dieren.

De kinderen huppelen na afloop schaterend naar huis. Ze hebben clowns gezien die niet saai of eng zijn; toch nog onverwachte goochelacts; ballengooiers, evenwichtskunstenaars en een sexy dame die het onwaarschijnlijke vermag met hoepels. Over het drama van het konijn en de slang zal ik zwijgen.

‘Dikkedeur’ Maurice zegt aan de telefoon dat hij liever ook niet heeft dat ik melding maak van de topact met Siamezen. „En zeker niet van de zeeleeuw want die is illegaal.” En of ik de eveneens illegale Osmeense asielzoekers niet wil opvoeren, „want dan heb ik weer de IND in de tent”. Natuurlijk, bij deze.

Om het geheel te completeren zijn er kwajongens. Een dorp heeft recht op kwajongens. Deze schreeuwen tijdens de voorstelling door een spleet in de tent hun onwelvoeglijkheden en proberen uit een naast het zeil geparkeerde buggy een bus Pringles chips te stelen.

In Amsterdam-Zuid hadden ze meer een VPRO-publiek zegt Maurice diplomatiek. Hij kijkt nergens van op. „Er zijn ook wel eens touwen doorgesneden. We komen op nog raardere plekken dan Duivendrecht”.

Meer informatie opwww.magic-circus.nl