'Elk stadje wil een eigen, multifunctioneel theater'

Bijna iedere gemeente bouwt zijn eigen theater. Een wonderlijk fenomeen, meent Cees Langeveld, sinds deze week bijzonder hoogleraar in de economie van de podiumkunsten.

Cees Langeveld, sinds deze week bijzonder hoogleraar in de economie van de podiumkunsten. (Foto Kees van Dongen) CEES LANGEVELD DOngen, KEes van

De voorbeelden liggen voor het oprapen. In de regio Helmond, Oss, Veghel en Uden staan vier vergelijkbare theaters binnen een reisafstand van twintig minuten. Ook de voorstellingen zijn vergelijkbaar. Bovendien staan sommige van die voorstellingen tevens in de grotere theaters van Eindhoven en Den Bosch, die maximaal 23 kilometer verder weg liggen. Of neem het Rijnmondgebied: terwijl Rotterdam zijn eigen podiumbeleid heeft, bouwden ook Capelle aan de IJssel, Barendrecht, Spijkenisse, Schiedam en Vlaardingen de laatste jaren nieuwe theaters.

„Is dat niet wonderlijk? Ja, en een mooi onderwerp voor nadere studie”, concludeerde prof dr. Cees Langeveld maandag in de inaugurele rede Het economisch drama van de podiumkunsten aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, waar hij bijzonder hoogleraar in de economie van de podiumkunsten is geworden. De leerstoel wordt mede gefinancierd door de VandenEnde Foundation. De nieuwe hoogleraar, die voortaan één dag in de week onderzoek zal leiden en colleges geeft, blijft tegelijk een man van de praktijk – als directeur van het Chassé Theater in Breda.

„Ik ben geen actiegroep”, zegt Langeveld. „Het gaat mij er niet om dat ik van alles wil veranderen. Mijn punt is alleen dat er altijd volop dynamiek zit in de landelijke subsidiëring van de gezelschappen en orkesten. Dat onderwerp krijgt beleidsmatig en publicitair heel veel aandacht. De kranten schrijven er hele pagina’s over. Maar als het gaat om de presentatie van wat er in die kunsten wordt gecreëerd – de podia waarop dat moet worden vertoond – zie ik geen enkele beweging. Daar heerst een stationair systeem. Elk theater werkt op zichzelf, in volstrekte autonomie, en houdt weinig rekening met wat er in zo’n regio nog meer wordt aangeboden.”

Dat komt volgens Langeveld omdat het bouwen en exploiteren van theaters in handen is van de individuele gemeenten. „Elke plaats met meer dan 25.000 inwoners wil een eigen theater. En ze moeten allemaal multifunctioneel zijn. Het gevolg is dat er veel kleine en middelgrote podia dicht bij elkaar staan. Met grotendeels hetzelfde aanbod waarin het kleinschalige amusement overheerst. Al die individuele podia hebben een beperkte onderhandelingspositie jegens de producenten van de voorstellingen en geen geld voor productontwikkeling en professionele marketing.” Ook ontbreken geld en publiek voor artistiek hoogstaande producties, aldus Langeveld. „Terwijl de gemeenten maar door blijven bouwen. Als wetenschapsman en als theaterdirecteur verbaas ik me daarover.”

Langeveld weet dat hij wat dat betreft niet de enige is. In een recent rapport van de VSCD, de vereniging van schouwburgdirecteuren, staat dat er in Nederland te veel podia zijn met een beperkte capaciteit en een te klein verzorgingsgebied. „De sector zegt het dus ook zelf.”

Als alternatief zouden de regio’s volgens hem kunnen streven naar gespecialiseerde theaters, zoals bijvoorbeeld één theater voor gesubsidieerd toneel. „Voor veel kleinere theaters is dat genre te hoog gegrepen. Maar als je dat op één herkenbare plek zet, kun je de acteurs een goed podium bieden en tegelijk publiek kweken dat speciaal voor hun voorstellingen komt.”

Hetzelfde geldt voor opera. Er zijn volgens Langeveld nu maar twee specifieke operahuizen in heel Nederland – in Enschede en Amsterdam. „Al die nieuwe, multifunctionele theaters zijn qua akoestiek niet berekend op opera. Een nieuw regiotheater voor opera zou een mooi idee kunnen zijn. Regio’s als Haaglanden of Rijnmond lenen zich daar heel goed toe. Een bijkomend voordeel is dat een gespecialiseerd theater ook een gespecialiseerde programmeur in huis zou hebben. Nu moeten veel programmeurs zo’n beetje alle theatervormen bijhouden. Dat is niet te doen.”

Zo’n poging tot regionaal podiumbeleid hebben de Drechtsteden wel eens ondernomen. „Maar die is mislukt – onder meer vanwege de vraag op wiens grondgebied de regioschouwburg zou komen te staan. Toch is het een interessante vraag waarom zulke initiatieven niet vaker worden genomen. Is er ruimte voor regionale toptheaters? Dat is een van de onderwerpen waarnaar ik graag onderzoek wil doen.”