Dat napraten, dat is allemaal apengedrag

In kantoren wordt vaak gebruik gemaakt van vage taal: ‘ontslag’ heet ‘afscheid’.

Dat is om de werkelijkheid te verzachten, maar ook om een groepsgevoel te creëren.

(Illustraties Roel Venderbosch)
Venderbosch, Roel

Schrik niet, een passage uit één van de tientallen persberichten die dagelijks binnenkomen in de mailbox van nrc.next:

Werkgevers worden door de crisis geconfronteerd met een bi-directionele problematiek met betrekking tot hun HR-beleid. Aan de ene kant worden werkgevers gedwongen hun personeelsbestand drastisch te saneren dan wel te reorganiseren, aan de andere kant zijn er werkgevers welke door de crisis extra personeel behoeven. Tegenstrijdig, dat wel, echter, dit biedt nog enig licht in de duisternis.

Wat staat hier nu eigenlijk? Even simpel gezegd: werkgevers ontslaan personeel vanwege de kredietcrisis, op enkele bedrijven na die door de crisis juist personeel aannemen (het ‘licht in de duisternis’).

Bovenstaande passage laat goed zien hoe de recessie taalgebruik binnen organisaties, ofwel ‘kantoortaal’ beïnvloedt. „Want taal wordt in deze tijd gebruikt om de harde werkelijkheid te verzachten”, stelt journaliste Carien Overdijk, schrijfster van het in november uitgebrachte boek Waartoe is deze tent op aarde over kantoortaal.

Ontslag heet daarom ‘afscheid nemen’, een bezuiniging is een ‘taakstelling’ en een bank gaat niet failliet, maar ‘valt om’. „Omvallen klinkt veel minder erg”, vertelt Overdijk. „Alsof iemand de bank geduwd heeft en de schuld zo buiten de bank zelf ligt.” Omvallen is overigens niet nieuw. Tijdens de grote economische crisis in de jaren dertig werd er ook al over omvallende banken gesproken.

In onze kantoorsamenleving worden we bedolven onder vage taal, metaforen en holle begrippen. Waarom praten en schrijven we toch zo? En is het eigenlijk erg?

Volgens Neerlandicus Daniël Janssen van de Universiteit Utrecht, gepromoveerd op taalgebruik van ambtenaren, verschilt de gemiddelde beleidsnota niet van het taaltje dat twee geliefden onderling gebruiken, of de woordenschat van een groepje Marokkaanse jongens, of dat van ‘kakkers’ in het Gooi. „Taal is een manier om te laten zien waar je je plezierig voelt. Zodra iemand bij een groep wil horen probeert hij zo snel mogelijk het jargon van die groep eigen te maken.”

Werknemers nemen het dus van elkaar over. Apengedrag, zoals Ton den Boon, hoofdredacteur van het Van Dale woordenboek het omschrijft. „Kantoortaal is een groepstaal. Mensen imiteren elkaar en willen imponeren. De machtigste figuur op kantoor bepaalt welke woorden gangbaar zijn. Anderen bevestigen de relatie door het taalgebruik over te nemen. Als de manager het heeft over flink doorpakken, doet het lagere echelon het ook.”

Daarmee probeert een werknemer aan te geven dat hij niet „van de straat is”, legt Janssen uit. „Ingewikkeld praten is imponeren. Je vraagt dus geen gesprek, maar een bilateraal overleg aan. Dat maakt indruk.”

Daarbij zijn „ambtenaren het ergst”, zegt Janssen. „Vooral bij ministeries. Zij moeten altijd verantwoording afleggen naar boven, naar de politici toe. Daarom durven ze het niet aan een standpunt in te nemen, ze willen geen verantwoordelijkheid dragen.”

Volgens journaliste Carien Overdijk wordt taalgebruik in kantoren vooral gekenmerkt door verschillende soorten metaforen. Zoals de slagveldmetafoor: bedrijven hebben een missie, zetten een strategie uit, voeren een concurrentiestrijd of schieten een voorstel af. De operatiekamermetafoor: bedrijven stellen een diagnose, slanken af, snijden onderdelen weg of krijgen een financiële injectie. Er is de bouwplaatsmetafoor: een werknemer doet een zware klus, haalt de bezem erdoor, creëert fundament, tuigt iets op of slaat een piketpaaltje. Of de sportmetafoor: grote spelers die de lat hoog leggen of een probleem tackelen.

Zonder deze metaforen is werken op een kantoor heel erg saai, zegt Overdijk. „Het kantoorleven is één grote abstractie van kortetermijndoelen, langetermijndoelen en middellangetermijndoelen. Kantoorwerknemers werken met cijfers en woorden die iets anders vertegenwoordigen. Dat leven wordt aangekleed met taal. Het maakt het kantoorleven spannender.”

Desondanks probeert vooral de overheid aanhoudend ambtelijk taalgebruik onder zijn werknemers terug te dringen. Zoals de Helder Haags-campagne van de gemeente Den Haag, die een ‘taaldokter’ inschakelde. De ‘dokter’ keek brieven en notities na op ambtelijk taalgebruik. In het Friese dorp Stiens blijkt het probleem al lang geleden te zijn aangepakt: het politiecorps aldaar besloot al in 2003 om zichzelf boetes op te leggen bij ambtelijk taalgebruik. Elke agent die win-win situatie, implementatie, insteek of entiteit gebruikte moest vijftig eurocent betalen. „Het werkte”, zegt een woordvoerder van de Friese politie nu. „De boete is niet meer nodig.”

Verspilde energie, volgens neerlandicus Janssen die in het verleden zelf cursussen in duidelijk schrijven gaf op ministeries, waar de overheid volgens hem „miljoenen” aan spendeert. Geldverspilling, noemt hij het nu. „Geen enkele ambtenaar zegt bij de bakker: ‘Met betrekking tot uw broodassortiment zou ik graag het eigendomsrecht verkrijgen op een half bruin.’ Ze kunnen het heus wel. Het is geen kwestie van vaardigheden, het is een cultureel verschijnsel. Dat is erg moeilijk te veranderen.”

En moet dat ook eigenlijk wel? Den Boon vindt van niet. Bij de Van Dale krijgt een woord als uitontwikkelen inmiddels een label ‘jargon’ of ‘ambtelijk taalgebruik’ mee. Een aantal kantooruitdrukkingen staat nog op de kandidatenlijst voor de nieuwste uitgave van het woordenboek: het ‘aanvliegen’ van een probleem en ‘een kopje thee drinken’ als er moet worden overlegd. Den Boon: „Wat je er ook van vindt, die gaan we de komende tijd nog vaak horen.”

En dat is juist goed, volgens de directeur. „We zouden ons moeten schamen als uitontwikkelen niet in ons woordenboek stond”, zegt hij. „Het hoort bij onze taal.” Sinds de jaren zeventig, toen woorden als ‘sociale unit’ op de werkvloer populair waren, ziet Den Boon geen toename in het gebruik van kantoortaal.

„Het wordt niet erger, het verandert alleen. Woorden komen, en verdwijnen weer”, aldus Den Boon. „Dat is alleen maar goed. Het toont dat onze taal springlevend is.”

Op het nextblog delen reacteurs hun eigen ervaringen met kantoortaal. Lees meer via nrcnext.nl/loopbaan

    • Stijn Bronzwaer