'Allochtonen plegen veel meer misdrijven dan autochtonen'

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de betekenis van statistieken in het debat.

Niet zelden zie je in de krant of op het journaal berichten als deze: ‘Energieconsumptie China verdubbelt in twintig jaar’. ‘Nederland 32 miljard armer zonder EU’. ‘Allochtonen oververtegenwoordigd in criminaliteitscijfers’. Het nieuws is, kortom, overgoten met statistieken. De precieze cijfers ken ik niet, maar onlangs heb ik het aantal statistische gegevens geturfd dat tijdens het drie kwartier durende Europese lijsttrekkersdebat bij Pauw & Witteman te beluisteren viel: ik kwam, omgerekend, uit op ongeveer één statistiek per drie minuten.

Zo leerde de kijker onder andere dat de Europese financiële markt „maar liefst tachtig toezichthouders” heeft, dat er ongeveer „12.000 lobbyisten van grote bedrijven” in Brussel werkzaam zijn, dat de crisis in Europa zal leiden tot „26,5 miljoen werklozen”, dat bijna „de helft van alle Nederlanders” tegen toetreding van Turkije is, en dat de gemiddelde Amerikaan „tien keer zoveel geld” moet betalen om de economie overeind te houden dan de gemiddelde Europeaan.

Dat politici en journalisten zo vaak een beroep doen op statistische informatie, is niet verwonderlijk: statistieken hebben grote overtuigingskracht. Statistieken worden namelijk door de meeste mensen vereenzelvigd met feiten: ze worden gezien als objectief en neutraal en daardoor als onweerlegbaar en zeer dwingend ervaren. Wanneer iemand stelt dat ‘de cijfers uitwijzen’ dat allochtonen twee keer vaker in aanraking komen met de politie dan autochtonen, wordt dat niet beschouwd als een ‘mening’ maar als een ‘gegeven’ – en valt er dus weinig op af te dingen.

Toch zijn er redenen genoeg om statistieken met een grote dosis scepsis en wantrouwen te bezien. Juist omdat ze geen waardeoordeel lijken te bevatten, en ogenschijnlijk niets meer zijn dan een neutrale weergave van de werkelijkheid, zijn statistieken namelijk gemakkelijk te misbruiken in het publieke debat. Feiten zijn immers pas begrijpelijk en betekenisvol, als ze in een bepaalde morele en maatschappelijke context staan – en die context ontbreekt nu juist in de abstracte cijfers waar statistieken uit zijn opgebouwd.

Zodoende kunnen politici en journalisten aan statistische gegevens iedere context toevoegen die hun helpt ‘aan te tonen’ wat ze beogen aan te tonen. Of anders gezegd, statistieken kunnen in dienst staan van ieder standpunt of perspectief. Een mooi voorbeeld is het gegeven dat er tachtig toezichthouders waken over de Europese financiële instellingen: door de anti-Europese partijen werd dat cijfer aangevoerd als bewijs van hoe bureaucratisch Europa is, terwijl de pro-Europese partijen in hetzelfde cijfer juist de noodzaak zagen voor méér toezicht en controle.

In de klassieker How to lie with statistics (1954), met een half miljoen verkochte exemplaren het meest gelezen statistiekboek ter wereld, waarschuwt de Amerikaanse schrijver Darrell Huff (1913-2001) dan ook dat statistieken nog beter zijn dan leugens, „omdat ze evenzeer kunnen misleiden, maar degene die ze bezigt, kan er niet op worden gepakt”. De grootste valkuil is volgens Huff dat statistieken in onze „op feiten georiënteerde samenleving” grote aantrekkingskracht hebben, maar dat tegelijkertijd de meeste mensen niet onderlegd genoeg zijn „om te begrijpen wat ze betekenen”.

Misschien wel het beste voorbeeld van een onbegrepen – en vaak misbruikte – statistiek is groei. De economiekaternen staan dagelijks vol met percentages die een bepaalde toename van iets laten zien, terwijl de meeste lezers zich nauwelijks een voorstelling kunnen maken van waar die percentages eigenlijk voor staan.

Neem het bericht dat ‘het energieverbruik van China in de komende twee decennia zal verdubbelen’. Is dat veel? Zo verwoord klinkt het als een enorme toename. Dat was ook de bedoeling: het bericht moest aantonen hoe de groei van China noopt tot duurzame energie. Maar wie verstand heeft van logaritmes, weet dat een verdubbeling in twintig jaar omgerekend neerkomt op een toename van 3,5 procent per jaar – 2 procentpunt minder dan de afgelopen twee decennia. Het bericht had dus óók kunnen luiden: ‘Groei energieverbruik China neemt af’, wat een totaal andere boodschap had overgebracht.

Hetzelfde interpretatieprobleem gaat op voor misdaadstatistieken. Een van de meest ‘misbruikte’ cijfers in het hedendaagse politieke debat is de statistiek dat allochtonen vaker in aanraking komen met de politie dan autochtonen. Uit een onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC), gepubliceerd in 2005, is namelijk gebleken dat gemiddeld 0,9 procent van de autochtone Nederlanders geregistreerd staat als verdachte, terwijl dat voor allochtonen 2,2 procent is.

Dit bracht diverse media, waaronder RTL Nieuws, tot de conclusie dat ‘allochtonen veel meer misdrijven plegen’ dan autochtonen. Die conclusie is inmiddels zo ingeburgerd dat het al bijna niemand meer opvalt wanneer politici de cijfers van het WODC aangrijpen om te pleiten voor etnische registratie van misdadigers of zelfs het ontnemen van hun Nederlandse paspoort.

Maar hoe betrouwbaar is deze conclusie werkelijk? Waar meestal aan voorbij wordt gegaan, is het feit dat het hier gaat om verdachten, niet om veroordeelden. Dit betekent ten eerste dat het nog niet vaststaat of de daad waarvan aangifte is gedaan ook daadwerkelijk strafbaar is, en ten tweede dat nog niet vaststaat of de dader ook echt de dader is geweest.

Gebaseerd op enkel deze cijfers, valt de conclusie dat ‘allochtonen veel meer misdrijven plegen’ dan ook in de categorie onheuse gevolgtrekking: dat allochtonen vaker verdachte zijn, kan immers ook betekenen dat ze vaker onterecht worden beschuldigd worden (discriminatie), of dat ze veel vaker gecontroleerd worden (door 100-procentcontroles op vluchten uit de Antillen of door speciale fouilleringsacties in allochtone wijken).

Daar komt bij dat zelden wordt opgemerkt dat het percentage verdachten onder allochtonen relatief aan het aantal verdachte autochtonen weliswaar hoog, maar in absolute zin nog altijd extreem laag is. Het betreft slechts 2,2 procent van de allochtone populatie. Zo bekeken is de hoeveelheid aandacht die dit probleem ten deel valt buitenproportioneel groot: 97,8 procent van de allochtonen houdt zich gewoon aan de wet. Het nieuws lijdt dus aan de zogenoemde fallacy of overwhelming exception: een enorm aantal uitzonderingen wordt weggelaten om een – op zichzelf juiste – generalisatie uit te vergroten.

De ironie is overigens dat uit dezelfde statistieken is gebleken dat onder allochtone jongeren tussen de 18 en 25 jaar maar liefst 12,4 procent geregistreerd staat als verdachte. Er was dus een misdaadstatistiek voorhanden die nog veel schokkender conclusies had gerechtvaardigd, maar dat was veel media ontgaan.

Overigens geldt voor autochtonen ook dat het hoogste percentage verdachten zich in de groep 18- tot 25-jarigen bevindt (namelijk 5,3 procent) – een fenomeen dat in de meeste landen ter wereld opgeld doet en de age-crime curve heet. Dat verraadt iets over wat onder het woord ‘misdaad’ in het nieuws kan worden verstaan: een groot deel daarvan is vaak meer puberale baldadigheid.

Ten slotte valt deze gevoelige misdaadstatistiek regelmatig ten prooi aan een drogreden die bekend staat als cum hoc ergo propter hoc, of in gewoon Nederlands: correlatie impliceert causatie. Sommige politici, waaronder PVV-leider Geert Wilders, stellen dat de nationaliteit, die correleert met het aantal verdachten, ook de oorzaak is van deze samenhang. Zo zou de ‘afkomst’, ‘cultuur’ of ‘religie’ van Marokkanen tot misdadig gedrag leiden. Maar correlatie betekent niet automatisch causatie: er zouden ook andere factoren een rol kunnen spelen, zoals dat allochtonen gemiddeld lager opgeleid zijn of vaker in armoede leven. Overigens geldt het omgekeerde ook: correlatie sluit causatie evenmin uit. Maar een waterdichte conclusie is het niet.

Een kritische burger doet er dus goed aan zich bij iedere statistiek af te vragen: wat betekent dit cijfer echt? Want hoe gemakkelijk het is door een statistiek in de luren te worden gelegd, is ook nu weer gebleken. Ik heb me er twee keer schuldig aan gemaakt. Zo heb ik geprobeerd te bewijzen dat het nieuws vergeven is van statistieken door me te beroepen op een hele kleine steekproef: ik heb de cijfers in slechts één aflevering van Pauw & Witteman geturfd. Bovendien heb ik me bezondigd aan een onheuse gevolgtrekking: dat How To Lie With Statistics met 500.000 exemplaren het meest verkochte statistiekboek ter wereld is, betekent nog niet dat hij ook het meest gelezen boek is.

Met terugwerkende kracht lijkt mij deze conclusie dus alsnog gerechtvaardigd: statistieken zijn duidelijk oververtegenwoordigd in de media.

    • Rob Wijnberg