18 jaar en tbs geëist voor moord op hoofdagente

Tegen de 50-jarige man die wordt verdacht van het doodschieten van de Amsterdamse politieagente Gabriëlle Cevat is gisteren een celstraf van achttien jaar en tbs met dwangverpleging geëist. Volgens het Openbaar Ministerie heeft Franklin F. zich schuldig gemaakt aan moord.

De 28-jarige hoofdagente werd in de late avond van 9 juli 2008 doodgeschoten in Amstelveen, toen ze op weg was naar haar werk. Ze zag F. slingerend over de weg rijden en wilde hem aanspreken. Cevat parkeerde haar auto naast de zijne en stapte uit. F. loste enkele schoten op Cevat, die korte tijd later stierf. Dat was een schrikreactie, zegt F. zelf, een ongeluk.

Die avond had F. ruzie gemaakt met zijn voormalige schoonfamilie. F. had al de voordeur van zijn ex-schoonouders beschoten. Hij was van plan hetzelfde te doen bij het huis van zijn ex-vriendin, toen hij Cevat zag opdoemen. „Op dat moment is de agressie tegen de ex-vriendin verschoven naar de persoon die hem probeerde te hinderen, de agente”, schrijft het Pieter Baancentrum (PBC).

F. is volgens het PBC een theatrale, narcistische persoonlijkheid. Hij had veel gedronken – „een liter wodka” – toen Cevat hem aansprak. „Op dat moment ontstond er een reactie van schrik en krenking”, schrijft het PBC. Volgens het psychiatrisch rapport kan F. het schieten „in mindere mate” worden toegerekend.

Of F. de agente opzettelijk heeft gedood, blijft de vraag. F., die gisteren geen vragen wilde beantwoorden, verklaarde eerder uit een reflex te hebben gehandeld: „Ik zag plotseling een schim. Het wapen in mijn hand ging af.” Maar er zijn ook aanwijzingen dat F. voor zijn daad wist wie hij tegenover zich had. Bij beide auto’s stond een raam open; F. en Cevat hebben elkaar dus mogelijk gesproken. Op de grond werd de politiebadge van Cevat gevonden, wat erop wijst dat de agente zich bekendmaakte.

En dan is er nog de verpleegkundige, die de ochtend na de dood van Cevat een gesprek voerde met de verdachte. Tegen collega’s en politieagenten zei de verpleegkundige dat F. hem had verteld dat hij een agente had doodgeschoten. Daarom had de rechtbank de verpleegkundige opgeroepen voor verhoor. De zichtbaar nerveuze verpleegkundige beriep zich op zijn beroepsgeheim.

Voorzitter van de rechtbank G. Janssen probeerde niettemin enkele malen om de man te verleiden om in elk geval íets te zeggen: „Heeft u met uw collega gesproken over wat F. u heeft verteld?”

Advocaat Plasman van F. schoot overeind: „Als de getuige ‘ja’ zegt, geeft hij onder ede toe een strafbaar feit te hebben begaan, namelijk schending van zijn geheimhoudingsplicht.”

De verpleegkundige en zijn collega beantwoordden geen enkele vraag.

Mocht F. na een eventuele veroordeling terugkeren in de samenleving, dan is de kans op herhaling volgens het PBC aanwezig. Dat komt doordat F. een gewelddadig verleden heeft, met onder meer een verkrachting en vrijheidsberoving. F. vertoont bovendien weinig zelfinzicht.

Alleen het oordeel van de psychiaters kon F. gisteren verleiden tot het doorbreken van zijn zwijgen. „Als ik alleen zit, heet ik eenzaam. Als ik naar de cel ga, ben ik teruggetrokken.”