Reflex

Een dik kwartier heeft Pedro Horrillo in de diepte van een ravijn gelegen voordat hij werd gelokaliseerd. Het heeft er alle schijn van dat hij dat kwartier bewust heeft meegemaakt. De eerste hulpverlener die via touwen naar hem wist af te dalen vertelde later dat de neurologische reflexen nog aanwezig waren: „Op de vraag naar zijn naam antwoordde hij dat hij Pedro heette. Hij besefte echter niet wat er gebeurd was en wou gewoon weer recht staan. Tot hij plots zei dat hij niet meer kon ademen. Nu ja, dat hij nog leefde was eigenlijk al een mirakel”.

Voordat de hulpverlener vaststelde dat de neurologische reflexen nog aanwezig waren, moet Horrillo in de diepte al hebben vastgesteld dat hij niet dood was. Had hij al geprobeerd op te staan? Ik denk van wel. De eerste reflex van een wielrenner is: opstaan, we gaan over tot de orde van de dag.

Een krankzinnige reflex, zelfs al ligt de knieschijf in fragmenten, is het dijbeen een oase van splinters, en dringen de gebroken ribben in de longen. Dit bleken de voornaamste blessures die werden vastgesteld nadat Horrillo later veilig en wel onder het röntgenapparaat was gelegd.

Horrillo ligt in een gat, zestig meter dieper dan de weg waarop hij het contact met de realiteit verloor. Het gebladerte heeft zich boven hem gesloten. Stilte, en het isolement van een gebroken lichaam. De reflex: waar is mijn fiets! De fiets is er niet. Is dat niet godgeklaagd? Stilte. Heeft iemand hem over de balustrade zien duiken? De kans is gering. Vanavond zullen ze hem pas missen. Maar waar moeten ze zoeken? Horrillo ligt op een steen en sluit niet uit dat hij jaren later gevonden wordt als skelet in een koersshirt.

Ik ben nooit in een gat van zestig meter gedoken. Mijn record bedraagt slechts een meter of vijftien. Het gebeurde in de Ronde van Zwitserland, afdaling van de Ibergeregg. In een scherpe bocht naar rechts hield opeens het asfalt op. Ik probeerde gevallen renners te ontwijken en schoot over het randje. Boven me zag ik niet de ploegleiderauto’s passeren maar wel de onbemande reservefietsen op het dak. Ik zat in het mos, het rook naar zomer. Het was heet opeens. En zeer stil. Een massa bloed stroomde over mijn gezicht.

Gek is dat, je raakt van de route en opeens is daar een andere wereld, een ander klimaat. Ook paniek: ze zullen me hier toch niet laten creperen. Iemand daalde af en vroeg naar mijn naam. Rare vraag vond ik dat, maar ik kende het antwoord. Met vereende krachten werd ik uit het gat getakeld en, hupsakee, in een ambulance gedeponeerd. Over het lot van mijn fiets kon niemand uitsluitsel geven.

    • Peter Winnen