Musea in een door nationalisme vergiftigde wereld

Musea, monumenten, plaatsen van herinnering, ik ben er dol op. Onlangs hoorde ik in het Concertgebouw (zelf al een lieu de mémoire) een uitvoering door het Rotterdams Philharmonisch van Hector Berlioz’ Symphonie fantastique. Het doet niets toe of af aan de muziek, maar met veel plezier dacht ik terug aan het doktershuis in het piepkleine Franse stadje La Côte Saint-André, waar Berlioz is geboren. Van dat huis is liefdevol een museum gemaakt. Jaarlijks heeft daar een Berliozfestival plaats. De dichtstbijzijnde grote stad is Genève, waar in het geboortehuis van Rousseau – waarvan alleen de muren nog overeind staan – een permanente educatieve tentoonstelling over de filosoof is ingericht.

Zo kan ik eindeloos doorgaan. Het afgelopen weekend wipte ik even binnen in het Amsterdams Historisch Museum, voor een expositietje met niet eerder gepubliceerde foto’s van de Maagdenhuisbezetting van veertig jaar geleden. Een paar meter verderop had boekhandel Athenaeum, tegenover het Maagdenhuis, in de etalage historische lijsten opgehangen met de deelnemers aan het studentenoproer van 1969. Ik was daar niet bij – te jong – maar vond het toch bijzonder de namen van vrienden en vriendinnen te ontdekken die toen even geschiedenis hebben gemaakt. En ik begon ter plekke herinneringen op te halen aan Aegidius Antonius Regtien (1938-1989).

Ach, geschiedenis. Wat heb je eraan, wat koop je ervoor? Dat heeft Johan Huizinga onder woorden gebracht in zijn essay ‘Het Historisch Museum’ in De Gids van februari 1920. Hij beschrijft hoe een historisch detail hem opeens het gevoel geeft van „een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot”.

Huizinga schreef dit in een polemiek over de inrichting van het Rijksmuseum en de verhouding tussen kunstmuseum en historisch museum. „Wij hebben ons zo blind gestaard op de kunst dat wij niet meer weten wat historie is”, betoogde Huizinga. „Als men nu eenmaal aan een zelfstandig Historisch Museum niet ontkomt, dan moest in ieder geval de verbinding tussen kunst en geschiedenis in stand blijven. Zowel een kunstmuseum als een historisch museum dient in de eerste plaats om te genieten. Een Historisch Museum moet dienstbaar zijn aan het opwekken van de onmiddellijke historische suggestie.”

Nederland staat vol met musea die deze historische gewaarwording bieden. Aan scholieren en toeristen. Niet voor niets mag het Anne Frank Huis zich het ‘sterkste merk’ op cultuurgebied noemen. De sensatie van een direct contact met de geschiedenis – door Huizinga omschreven als „de aanraking met het wezen der dingen”, is niet zelden gebonden aan de plek: dáár gebeurde het.

Maar helaas, het gaat vaak fout. In de Amsterdamse Henri Polaklaan, genoemd naar de legendarische oprichter van de Diamantbewerkersbond en het NVV, thans FNV, staat ‘de Burcht van Berlage’, een schitterende combinatie van kunst (architectuur, fresco’s, meubels) met sociale geschiedenis. Daar was tot voor kort het Vakbondsmuseum gevestigd. Vorige week had ik er een afspraak en wat bleek? Gesloten! Na een verbouwing wordt de museale functie wegbezuinigd. Er is weinig overheidssteun voor plaatsen waar de historische sensatie voelbaar is. Het Rijk noch de gemeente Den Haag wilde helpen het huis waar Couperus zijn Eline Vere heeft geschreven aan te kopen, de instandhouding van het Multatuli Museum in het Amsterdamse geboortehuis van de schrijver is een martelgang.

Zo laten we de geschiedenis versloffen. Het belangrijkste historische museum van Nederland – het Rijksmuseum, dat niet alleen een wereldcollectie aan beeldende kunst herbergt, maar ook meer van de geschiedenis toont dan welk bestaand of toekomstig historisch museum ooit kan bieden – gaat op zijn vroegst in 2015 pas weer open. En intussen steggelen politici over de louter ideologisch gemotiveerde plannen voor een ‘Nationaal Historisch Museum’, bedoeld om de bevolking nationaal besef of zelfs nationale trots bij te brengen.

Een Nationaal Historisch Museum is iets wezenlijk anders dan een Nederlands Historisch Museum, waarover Huizinga zijn gedachten liet gaan. Het populairste geschiedenisboek van de afgelopen jaren, In Europa door Geert Mak, is een voorbeeldige poging om het Nederlandse publiek te confronteren met zijn wortels in de Europese geschiedenis, de kruisbestuiving van culturen. Maks aanpak laat zien dat het wel degelijk van belang is om behalve voor de afzonderlijke voorvallen, plaatsen, gebouwen en memoires, aandacht te hebben voor het geheel, de totaliteit, en een poging te doen het kenmerkende van een tijdvak op te sporen en samen te brengen.

Lange tijd was in Nederland De Lage Landen bij de zee van Jan en Annie Romein het populairste geschiedenisboek. Dat boek behelst Nederlandse geschiedenis, maar het is zeker niet ‘nationaal’. Integendeel, de Nederlandse geschiedenis zou volgens de schrijvers alleen maar van belang blijven „als de ontwikkeling der mensheid nog de tijd laat voor het vormen ener waarlijk-Europese beschaving”.

De Romeins vergeleken Nederland met een dal dat de beken van de omringende bergen verzamelt en vormt tot een rivier. Zo hebben de Lage Landen de beschavingen van omwonende volken vergaard. „En wanneer er eens een wereld zijn zal, die het gevaar van het bestaan van soevereine staten en op zichzelf gestelde naties onderkent, en ze nevengeschikt zal hebben in één groot verband, waarin dan ook Nederland als een deel in het geheel zal zijn opgenomen, dan zal […] dat bijzondere van Nederland zijn plaats krijgen, hoe bescheiden dan ook misschien in het algemene. En dat is in een door nationalisme vergiftigde wereld waarlijk niet weinig.”

Helaas, wat blijft er van deze gedachte over, als de Nederlandse geschiedenis weer wordt verengd tot ‘het nationale’, of zelfs het populistische provinciale, een dal waar het bedorven, stilstaande water is teruggevloeid in een stinkend moeras.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)

    • Elsbeth Etty