'Het was een jungle bij de boksbond'

Arnold Vanderlyde (46) geeft workshops en clinics met zijn filosofie ‘fighting’. En hij houdt zich bezig met het vrouwenboksen. „Daar valt veel te winnen.”

Vanderlyde: "Als ik nu 25 was geweest, had ik het misschien anders gedaan, had ik niet de veiligste keuze gemaakt." (Foto Bas Czerwinski) 13-05-2009, Breda. Arnold Vanderlyde. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Breda, 19 mei. - Het is donderdag 14 mei en Arnold Vanderlyde (46) gaat langs bij Defensie. In Den Haag geeft hij een workshop aan veertig man. Doel: een beter groepsgevoel creëren. „Ik vertel het verhaal dat ook in mijn boek Fighting for success! staat. Wie ik was, wie ik wilde zijn en wie ik ben geworden. Aan de hand van mijn filosofie ‘fighting’ probeer ik de cursisten een spiegel voor te houden. Wie ben je? Waar sta je voor? Na anderhalf uur kleden ze zich om en leer ik ze basistechnieken van het boksen.”

Vanderlydes loopbaan als zakenman begon toen hij na het beëindigen van zijn bokscarrière gevraagd werd om als bekende Nederlander zijn verhaal te doen. Met zijn vrouw Angela bouwde hij dit uit tot seminars, workshops en clinics met een eigen filosofie. „Ik ben een selfmade man.” Voor een dagdeel van vier uur vraagt hij 3.000 euro.

Vaak spreekt hij uit ervaring tijdens zo’n workshop. Van een jongetje – ‘Kleine Arnoldje’ in zijn boek – met een minderwaardigheidscomplex groeide hij uit tot een succesvol sporter en coach. Dat kwam door de geldingsdrang die hij naar zijn vader toe voelde. ‘Hij regeerde thuis met harde hand’, schrijft Vanderlyde over hem. En dat was niet alleen verbaal. Het maakte Kleine Arnoldje driftig, hij had huilbuien en mepte er bij het minste of geringste op los.

Bij het boksen leerde hij naar zichzelf te kijken – letterlijk, voor de spiegel. Hij ontdekte wie hij was en kreeg meer zelfvertrouwen. Vanderlyde, toen achttien jaar, ontdekte ook dat boksen hem beter afging dan voetballen. Eigenlijk was hij alleen gaan boksen om sterker te worden als voetballer. Hij wilde prof worden bij Fortuna Sittard. „Voetbal is nog steeds mijn grote liefde.”

Het is inmiddels zeventien jaar geleden dat Vanderlyde afzwaaide als bokser. Nu houdt hij zich enkel nog met het vrouwenboksen bezig. In augustus wordt bekend of vrouwenboksen in 2012 op het programma van de Spelen in Londen komt. „Het IOC moet wel met heel goede redenen komen om het geen olympische sport te maken.”

In Breda zette Vanderlyde in 2006 de Boxing Academy op, waar hij eens per maand zo’n twaalf vrouwen met een olympisch doel traint. Een gemêleerde groep, met onder anderen twee Belgische meiden, een Marokkaanse, een Antilliaanse en een Surinaamse. „De boksbond vroeg mij of ik in de commissie voor vrouwenboksen van de European Boxing Confederation wilde stappen. Als enige man zit ik tussen andere commissieleden uit Ierland, Zweden, Engeland, Finland en Rusland.”

Zijn Boxing Academy moet het vrouwenboksen in eigen omgeving promoten. „De dames boksen bij hun eigen club, wij genereren ideeën en met mijn contacten in het buitenland kan ik af en toe toernooien en wedstrijden organiseren. Eind deze maand gaan we naar België en ik heb via het Ierse commissielid een Iers-Nederlandse uitwisseling geregeld. In Ierland ligt het niveau hoger – Katie Taylor is de beste bokster – dus wij kunnen nog veel van hen leren.”

Ook al doet hij het vrouwenboksen er slechts bij, hij spreekt er met passie over. Hij praat, fluistert, zit nooit stil en slaat af en toe met zijn hand op tafel. Niet hard, maar zijn kracht doet de kopjes rammelen. „Boksen heeft mij veel gegeven, dit doe ik terug uit liefde voor de sport.” En: „Vrouwen zijn fysiek zwakker dan mannen, maar ik vind het esthetisch meer verantwoord. Vrouwenboksen is nog klein, daar valt veel te winnen.”

Door zijn ervaringen heeft hij besloten dat hij zich niet meer actief mengt in de Nederlandse bokswereld. Zeker niet bij de mannen. In 2001 werd hij benoemd tot commissaris olympisch boksen. Deze functie bekleedde hij nog geen anderhalf jaar. „Ik werd niet 100 procent geaccepteerd. Ik denk dat mensen zich bedreigd voelden. Er waren twee bondscoaches. In al mijn enthousiasme nam ik de training op me. De coaches stonden erbij en keken ernaar. Er was bovendien geen structuur, geen lijn bij de bond. Het was een jungle.”

De boksbond zette vorig jaar opnieuw eenzelfde soort functie op, met de Advies Groep Olympisch Boksen. De drie leden vroegen Vanderlyde een aantal dagen geleden ook aan te schuiven. „Die dag paste het niet in mijn agenda.” Beide initiatieven hebben en hadden hetzelfde doel: het noodlijdende amateurboksen reanimeren. „Het was geen succes”, zegt hij nu.

Hij is te nauw betrokken geweest om nu weer een bepalende functie in de bokswereld te willen, mocht de bond hem vragen. Maar die vraag zal niet komen, weet hij. „Op deze manier, met de Boxing Academy, geef ik een positieve bijdrage vanaf de zijlijn. De bond kan het beter zo laten. Ik zou te veel weerstand krijgen. De bond moet een onafhankelijke bondscoach kiezen, een buitenlandse trainer zou goed zijn. Iemand met een filosofie en overwicht.”

Dat is nodig, want het Nederlandse boksen heeft nog steeds een grote achterstand, zegt Vanderlyde. Na een bestuurlijke impasse van twee jaar is er eind vorig jaar eindelijk een nieuw bestuur aangetreden. En onlangs werd Maarten van Koolwijk benoemd tot directeur. Vanderlyde heeft „ter voorbereiding” op dit interview even met Van Koolwijk gebeld. Het heeft hem gerustgesteld. „Ik heb vertrouwen in het nieuwe bestuur. Het kan iets worden, als ze de juiste mensen op de juiste plek zetten. Laten we hopen dat er nu structureel iets gaat veranderen.”

Maar, zegt hij later, er is feitelijk nog niks: geen coach, geen juniorenteam, geen seniorenteam. „De bokswereld opereert in eilandjes. Dat is niet erg, dat was in mijn tijd ook zo, maar dat alles moet wel gebeuren onder de paraplu van de bond. Die moet faciliteren, de beste boksers inschrijven voor internationale toernooien.”

Een dag na het interview stuurt Vanderlyde een e-mail: ‘Goed nieuws, ik heb zojuist gehoord dat dit weekeinde gestart wordt met centrale trainingen voor junioren en senioren.’

Komen al deze inspanningen niet te laat voor de Spelen van 2012? „Als de energie goed is, dan kan het”, antwoordt Vanderlyde. „Er is genoeg talent, daar ligt het niet aan. Let maar eens op de zestienjarige Juliano Westhiner. Bij de vrouwen is Marichelle de Jong de beste, Nouchka Fontijn kan ook een grote worden. Nederland presteert altijd in vechtsporten, kijk naar het kickboksen, taekwondo en judo. Het amateurboksen groeit gelukkig, hopelijk stromen mensen door naar de top.”

De NK boksen wordt misschien gekoppeld aan de jaarlijkse Bep van Klaveren Memorial, weet Vanderlyde. „Dat lijkt me, om het boksen naar een hoger niveau te tillen, een goed idee.” De sport zou er ook goed aan doen om zijn helden te eren. „Zonder naar mezelf te wijzen natuurlijk, maar zet jongens als Pedro van Raamsdonk, Raymond Joval en Orhan Delibas op een voetstuk. De jeugd moet mensen hebben om tegenop te kijken.”

Ongelooflijk vindt Vanderlyde het dat iemand als Rudi Lubbers, die in 1964 en ’68 deelnam aan de Spelen en als enige Nederlander ooit tegen Muhammad Ali bokste, op straat belandde. „Gelukkig heeft oud-wielrenner Rini Wagtmans zich over hem ontfermd.”

Hij geeft natuurlijk nog trainingen aan de vrouwen, en aan bedrijven, maar zelf bokst Vanderlyde niet meer. Iedere dag loopt hij hard en doet hij stretchoefeningen. „Anders gaat alles vast zitten.” Vanderlyde stopte in 1992, na de Olympische Spelen in Barcelona, mede omdat hij last kreeg van zijn knieën.

„Een profbokser ben ik nooit geweest. Ik had wel aanbiedingen maar mijn coach raadde het af. Als ik nu 25 was geweest, had ik het misschien anders gedaan. Na de eerste of tweede Spelen was ik prof geworden. Het ego van Kleine Arnoldje had zich meer willen bewijzen als sportman. Ik heb geen spijt, maar nu had ik niet de veiligste keuze gemaakt. Ik had een leven als profbokser best mee willen maken. ”