Het mooie van huiselijkheid

Laatst at ik bij een vriendin bij wie ik mezelf zomaar had uitgenodigd, daar heeft men vriendinnen voor, en die dus geen omslag had gemaakt, maar wel eventjes een heerlijke ratatouille had gefabriekt. En gepocheerde peren met chocoladesaus toe. „Wat kook jij toch altijd lekker”, zei ik hartgrondig.

„Ach welnee”, zei ze, „ik maak alleen maar dingen die ik me van vroeger herinner.”

Een heel goed idee leek me. Soms heb ik het gevoel dat wie zich te veel voor eten gaat interesseren, nóóit meer iets van vroeger maakt. Aldoor maar nieuw en met de tijd mee en hevig georiënteerd op witte tonijn en moderne salades, maar peren met chocoladesaus zijn er niet meer bij. Je krijgt daardoor nooit wat je ‘altijd’ zo lekker vond, want het is steeds iets anders.

Als een vrouw met te veel kleren: een lievelingsbloesje kan niet ontstaan, want ze draagt elke dag iets anders. En er is eigenlijk niets fijners dan een lievelingsbloesje en een lievelingstoetje of gewoon: dingen die lekker zitten en die je al honderd jaar hebt, c.q. gerechten die al je hele leven prima dienst doen.

Of gerechten die je tien jaar geleden vaak maakte maar die nu een beetje op de achtergrond zijn geraakt. Huiselijkheid bestaat toch meer uit herhaling dan uit steeds maar iets nieuws. Kleine variaties, geen omwentelingen.

Ja, eten is echt geen franje hoor. Het raakt aan de totale levensfilosofie.

Dingen van vroeger kunnen natuurlijk ook heel gemakkelijk dingen zijn die ooit in de mode waren en nu niet meer. Sommige daarvan zou je ook beslist niet weer terug willen zien – die eindeloze gehakt ‘prutjes’ (alleen het woord al) hoeven van mij nooit meer terug te komen, hoe huiselijk ze ook waren.

Maar soms maak je een tijdlang iets dat geweldig smaakt en dan ineens is het naar de achtergrond verdreven. Begin me meteen af te vragen of dat op een groot gebrek aan karaktervastheid wijst of juist op gezonde nieuwsgierigheid en interesse in de eigen tijd. Alle twee zeker weer. En dan moet je zelf weer het juiste evenwicht bepalen.

Altijd maar dat gelijk van die Horatius met zijn gulden midden, zucht. Nooit eens lekker uitschieten. Maar wel altijd lekker eten, daar hield de heer Horatius ook wel van.

En ineens schoten me die gevulde citroenen te binnen die ik zo vaak maakte en nu nooit meer. Heerlijke voorgerechtjes met lentelijke allure en simpel en ouderwets ook want er gaan sardines in die citroenen. Uit blik. Iets wat je vroeger altijd in huis had en nu nooit meer. Maar waarom eigenlijk niet? Ze zijn heel lekker. Op deze manier.

Halveer de citroenen en pers ze uit. Snijd een klein kapje van de onder- en bovenkanten zodat ze kunnen staan. Haal het vruchtvlees uit de citroenen.

Rooster de pijnboompitten in een droge koekenpan.

Hak de peterselie, de bleekselderie en de lente-uitjes fijn. Snijd de olijven in ringetjes.

Giet de sardines af.

Prak ze met de mayonaise, de mosterd, de uitjes, bleekselderie, peterselie, olijven, royaal zwarte peper en twee lepels citroensap.

Roer de pijnboompitten erdoor. Doe het mengsel in de halve citroenen en zet weg tot gebruik.

    • Marjoleine de Vos