En de straten moeten moestuinen worden

Rob Hopkins wil dat mensen minder afhankelijk worden van olie.

Bijvoorbeeld door zelf voedsel te verbouwen, zoals in het Engelse Totnes, de eerste Transition Town.

(Foto's HH/AFP, bewerking fotodienst NRC) Nederland. Amsterdam, 14-01-2009. Airport Schiphol. Pijlen geven de richting aan in een parkeergarage. Foto: Patrick Post / HH post/Hollandse Hoogte

De aardolie raakt op. Producten worden schaarser, transport duurder, geïmporteerd voedsel onbetaalbaar. Mensen zullen hun eigen eten moeten verbouwen om niet te verhongeren. Straks, zegt Maggie Fielder, „moeten we zelfs de straten opentrekken en daar groente telen.”

De bed & breakfasthoudster staat tussen de courgettes en artisjokken in haar moestuin met uitzicht op de groene heuvels van het Engelse Devon. Niets in het lieflijke landschap wijst op een aanstaande apocalyps. Maar Maggie (58) meent het. En ze is niet alleen in Totnes.

Het Britse dorpje met 8.000 inwoners heeft zichzelf uitgeroepen tot de eerste ‘Transition Town’. Het idee van Transition: gemeenschappen weerbaarder maken tegen klimaatverandering en stijgende olieprijzen. Oprichter Rob Hopkins (40), ook een inwoner van Totnes, verwoordt in The Transition Handbook, from oil dependency to local resilience de achterliggende gedachte: „Klimaatverandering vertelt ons dat we zouden moeten veranderen, peak oil dwingt ons te veranderen.”

Peak oil is het moment dat de mondiale oliewinning zijn piek heeft bereikt. Vanaf dat moment zakt de productie alleen nog maar verder in. Omdat de vraag wel steeds toeneemt, zal de olieprijs enorm stijgen.

„Mensen moeten af van hun olieverslaving”, zegt Hopkins in het rommelige hoofdkantoortje boven de lokale opticien, „want peak oil komt eraan”. In het halletje van het kantoor hangt een handgeschilderd bord: ‘If Havana can do it, we can’, verwijzend naar hervorming van Cuba nadat de Sovjet-Unie viel en de olie-import er kelderde.

Om voorbereid te zijn op het post-olietijdperk moeten gemeenschappen nu al hun energieverbruik omlaag krijgen, hun gezondheidszorg zoveel mogelijk lokaal organiseren, voedsel in de buurt verbouwen, elektriciteit duurzaam opwekken en onderwijs richten op verdwenen vaardigheden om jezelf te onderhouden.

Na een paar jaar – Transition werd in 2006 gelanceerd – ziet dat er in Totnes als volgt uit:

Hopkins is met een groep mensen bezig om een lokale energiecentrale op te zetten. Inwoners kunnen voor 20.000 tot 25.000 pond aandelen kopen in een windenergiebedrijf, dat elektriciteit levert aan het lichtnet.

Totnes heeft een notenboom-plant-plan om de volgende generatie van voedsel te voorzien.

Er is een garden share-programma, waarin mensen zonder grond andermans tuinen kunnen bebouwen.

Met de gemeente wordt overlegd over milieuvriendelijke bouwvoorschriften voor nieuwe huizen.

Er zijn plannen om een leeg stuk land om te toveren tot een bedrijventerrein voor duurzame ondernemingen.

Het naburige landgoed moet ruimte gaan bieden aan moestuinen.

En er wordt geprobeerd mensen aan het denken te zetten over het nut van een sterke lokale economie door de Totnes Pound, een lokale munteenheid. Zo’n 70 winkels accepteren de 10.000 in omloop gebrachte ponden.

Op dit moment willen circa 800 mensen in Totnes op de hoogte gehouden worden van Transition. Grote bijeenkomsten worden door 400 man bezocht, 150 tot 200 mensen doen actief mee. Dat groeit al een tijdje niet meer. „Maar het is genoeg om een echte verandering teweeg te brengen”, meent Hopkins.

Het initiatief slaat ook aan in andere landen. Al 170 groepen hebben zich officieel aangemeld. Het zijn krakers, of biologische tuinders, of gewoon mensen uit dezelfde buurt. Naar schatting zijn nog eens ruim duizend groepen bezig met de ideeën van Hopkins.

Volgens de site telt Groot-Brittannië inmiddels honderd officiële groepen, de VS bijna dertig. Japan, Italië, Duitsland en Nederland (in Deventer) één. Maar ook in Amsterdam, Nijmegen, Tiel, Den Haag, Enschede, Apeldoorn en Tilburg duiken initiatieven op. De Nederlandse site telt er ruim vijftig. Vandaag presenteert Hopkins in Deventer de Nederlandse vertaling van het boek met het twaalfstappenplan tot ‘lokale veerkracht’.

Hopkins heeft haast met zijn project. „Peak oil is waarschijnlijk afgelopen juli al gebeurd.” Anderen houden het op binnen nu en twintig jaar. Maar voor die tijd moet de knop om, zegt Hopkins. De hele infrastructuur moet anders. Als we dat niet doen, gaan we koste wat het kost olie halen uit teerzanden, wat veel energie kost. Of we winnen brandstoffen uit zwaar vervuilend steenkool. Dat zijn geen opties, gezien het veranderende klimaat. De CO2-uitstoot moet drastisch omlaag, wil het klimaat niet helemaal op hol slaan.

Terug naar Totnes. Maggie Fielder die met haar man Keith (63) in het stadje een ecologische B&B runt – met biologisch ontbijt – is een van de actieve inwoners. Sinds haar jeugd denkt ze al: er zijn zoveel auto’s en grote huizen. Ze maakte educatieve radioprogramma’s voor de BBC, haar man werkte met gehandicapten. Vier jaar geleden verhuisden ze van Londen naar Totnes.

Met een aantal huizen in haar straat doet Maggie de Transitioncursus Skilling Up for Powerdown. Daarin leert ze hoe ze haar huishouden energiezuinig draaiende kan houden, hoe ze minder afval produceert, hoe ze zelf compost maakt. De groep geeft les in tuinieren in elkaars moestuin en carpoolt zo veel mogelijk naar de winkel of de bioscoop.

Dat is leuk voor mensen die niet meer hoeven te werken en op het platteland wonen. Maar hoe werkt Transition voor, zeg, de hardwerkende alleenstaande moeder in Londen of Amsterdam?

„Ook in Londen kun je groente verbouwen”, zegt Maggie. „De parken moeten moestuinen worden. Mensen moeten groente gaan telen in hun keuken, op hun dak, in potten aan lantaarnpalen. En wat heb je aan straten als de auto’s niet kunnen rijden? Die kun je ook openbreken!” Bij die woorden fronst het tot nu toe onbeweeglijke gezicht van haar echtgenoot. Maar ook hij zegt: „Het moet allemaal gebeuren.”

Vergeet niet”, antwoordt oprichter Hopkins „dat mensen in de stad sowieso al energiezuiniger leven”. In de stad is er openbaar vervoer en leggen mensen minder kilometers af tussen huis en werk. Huizen verliezen minder warmte doordat ze dicht op elkaar staan.

De truc is om een stad op te delen in gemeenschappen, zegt Hopkins. Die kunnen uitzoeken waar in de buurt voedsel verbouwd kan worden – op daken, langs spoorrails, in gedeelde tuinen.

Lokale voedselproductie is een belangrijk onderwerp van Transition, en, zegt Hopkins, „makkelijk en aansprekend om mee te beginnen.” Maar voedsel is niet urgenter dan duurzame energie, afvalverwerking of lokale gezondheidszorg.

Is Transition op deze manier niet oneerlijk protectionistisch? Hopkins krijgt vaak de vraag wat zijn methode betekent voor ontwikkelingslanden. „Als we vandaag in één keer de import stoppen, is dat natuurlijk desastreus. Maar hoe we het nu doen, werkt ook niet. We importeren voedsel uit landen waar honger is. Kleine weerbare boeren zijn door grote bedrijven van het land geveegd. Ook in ontwikkelingslanden is het goed als gemeenschappen zelfvoorzienend worden. Transition hier en Transition daar moeten gelijk opgaan.”

Hopkins’ ambities zijn groot. Hij weet, zegt hij, dat verandering in import en exportbeleid, gezondheidszorg en energievoorziening moeilijk met een kleine groep te bewerkstelligen is.

Daarom, adviseert hij, moeten Transition Towns zoveel mogelijk contact zoeken met gemeenteraden, provinciebesturen en het parlement. „Alle niveaus van overheid moeten meedoen.” Dat werkt niet altijd, zelfs niet op kleine schaal. Zo is het plan voor twee riksja’s die op gebruikte frituurolie door Totnes rijden getorpedeerd door de district council.

De kassière in de supermarkt van Totnes en de boer die eendeneieren komt leveren, zijn ook niet wildenthousiast en wuiven Transition weg als „something newish”. Ze hadden al Rudolf Steiner en Tagore en de hippies en de orange people en de monnik met zijn opvanghuis. En nu is er Transition. Dat zal ook wel weer voorbijgaan.

Maar aan de aanstaande veranderingen ontkomt niemand, weet Hopkins. „Je kunt wel wachten tot peak oil, maar dan ben je te laat. Dan weet niemand hoe hij voor eten moet zorgen. En wat dan?” We moeten nu het grote plan B maken, vindt hij. Hoe dat er precies uitziet? „Wij hebben niet alle antwoorden. Dat moeten we met z’n allen uitzoeken. Onze vrolijke disclaimer is: wij weten ook niet of dit werkt.”

Oprichter Rob Hopkins is vanavond om 17.30 uur in Boekhandel Praamstra in Deventer. Meer informatie: http://transitiontowns.nl

Maak zelf compost: een handleiding op pagina 26 en 27