Diensten maken de dienst uit

Kan een land alleen op diensten draaien, zonder industrie? Zeker, vinden de economen, maar alleen in een open internationale economie.

Kan een land geheel draaien op dienstverlening, of is het gevaarlijk om de industrie geheel te laten varen? Dat was vorige week de vraag, en inmiddels kwam er een ongevraagd antwoord uit Duitsland. Gisteren zei Peter Löscher, topman van Siemens, dat Duitsland uit de huidige economische crisis tevoorschijn zal komen als een meer geïndustrialiseerd land. „Landen met een zeer innovatieve industrie als Duitsland” zullen een nieuwe golf van industrialisering doormaken, gevoed door vraag naar infrastructuur en groene technologie.

Toch blijkt uit reacties van economen op de vraag van vorige week een meerderheid ‘de industrie’ niet strikt nodig achten.

Dat heeft voor een deel te maken met definitiekwesties. Marcel Canoy van de Tilburgse Universiteit stelt onder meer dat het onderscheid tussen goederen en diensten steeds verder vervaagt. „De producten die we thans consumeren zijn vaak combinaties van beide. Ook is het zo dat veel producten niet meer in één land gemaakt worden (de iPod wordt bijvoorbeeld in minstens tien landen gemaakt; elk onderdeeltje in een ander land). Hierdoor is de discussie niet zo zwart-wit.”

De levensvatbaarheid van de concentratie op diensten, stelt de Groningse hoogleraar Steven Brakman, is afhankelijk van de verhandelbaarheid daarvan. Dat is steeds meer het geval, denk maar aan Indiase softwareaanbieders. Als in een open internationale economie ieder zich kan specialiseren in waar hij het best in is, dan is dat over de hele linie welvaartsverhogend. „Het maakt daarbij niet uit of het diensten betreft of tastbare goederen. Zolang de goederen verhandelbaar zijn kan internationale specialisatie gunstig zijn voor alle deelnemers. Wij leggen ons toe op de productie van – innovatieve – diensten en ruilen deze tegen tastbare goederen op de internationale markt.” Een diensteneconomie, aldus Brakman, is dus niet slechter dan een economie gebaseerd op industrie – alleen het specialisatiepatroon is anders. „Deze specialisatiepatronen veranderen in de tijd. Nederland is van een puur agrarische economie, via een industriële economie, naar een diensteneconomie aan het groeien. Dit heeft nooit geleid tot hongersnood, omdat wij industrieproducten op de internationale markt konden ruilen tegen voedsel. In de praktijk veranderen specialisatiepatronen. Dat is beroerd voor mensen die werken in krimpende sectoren, maar gunstig voor mensen die werkzaam zijn in de groeisectoren.”

Jules Theeuwes van SEO Economisch Onderzoek is het daarmee eens. „Natuurlijk kan een economie alleen draaien op een dienstensector. Het voorbeeld van een ‘staat’ die alleen diensten levert en reeds duizenden jaren bestaat en waarschijnlijk nog zal bestaan, is Vaticaanstad.” Wat Theeuwes vooral verbaast is het geloof dat ‘alleen dingen die op je teen kunnen vallen’ de welvaart verhogen.

Afgezien van de erfenis van het Marxistische denken, waarin de industrie zaligmakend is, denkt hij dat „het vasthouden aan de maakindustrie dieper zit in de menselijke ziel. Het heeft te maken met het niet kunnen loslaten van wat ooit goed is geweest, met het geen afscheid kunnen nemen van wat ooit een succesvolle industriële samenleving was, vol dampende schoorstenen.

„In Nederland werkte ooit de overgrote meerderheid van de beroepsbevolking in de landbouwsector. De landbouwsector is nu gereduceerd tot hooguit enkele procenten van het nationaal product. Desondanks houdt de Europese Unie (en haar voorgangers) al decennialang met subsidies een groot deel van de landbouwsector overeind. Het landbouwbeleid is waarschijnlijk het voorland van de maakindustrie. We kunnen het nooit helemaal loslaten.”

Maar of dat met het streven naar autarkie – een deel van de stelling van vorige week – te maken heeft? Onzin, stelt de Maastrichtse hoogleraar Luc Soete. Naar aanleiding van de steun aan de bankensector had het het stuk van vorige week evengoed ‘financiële liefde heeft een autarkisch trekje’ kunnen heten. Soete gaat uitgebreid in op de gevolgen van een overgang van industrie naar dienstverlening voor de productiviteit. Het oude ‘Wet van Baumol’-argument dat de productiviteitsgroei van diensten structureel achterblijft is volgens hem deels achterhaald, hoewel de kwaliteit van diensten wel kan lijden onder productiviteitsstijging. Hij noemt het afnemende persoonlijke contact in de zorg als voorbeeld.

Waar het in internationaal perspectief om gaat is volgens Soete de internationale handelspecialisatie in industriële versus dienstensectoren. „Ook hier speelt productiviteit, in de vorm van de internationale concurrentiepositie, een essentiële rol. In de industrie is de beleidszorg vooral ingegeven door de vraag of over de tijd heen, en dan vooral tijdens recessies, er opwaartse specialisatie plaatsvindt in de richting van sectoren met een hogere toegevoegde waarde, zeg maar technologisch hoogwaardige sectoren en producten.”

Dat is, stelt Soete, in Nederland de afgelopen veertig jaar fout gegaan. Juist in fases van laagconjunctuur zoals begin jaren negentig zijn de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in de private sector gedaald om daarna niet meer terug te komen. „Deze neerwaartse dé-hightechindustrialisatie steekt schril af met de verdere hightechspecialisatie in de VS, Japan en Duitsland, en houdt duidelijk verband met het verdwijnen in Nederland van een aantal hightech industriële activiteiten ten faveure van diensten.” Dat is niet zonder gevaar. „De internationale specialisatie van een klein land in diensten maakt de concurrentiepositie van zo’n land meer conjuctuurgevoelig.”

Zo groeit de zorg dat tijdens deze crisis opnieuw een aantal hightech industriële activiteiten activiteiten min of meer op permanente manier zal verdwijnen.”

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel