De oermens en de canon

Wil Roebroeks (1955), hoogleraar archeologie van de Oude Steentijd in Leiden. Vanavond spreekt prof. dr. Wil Roebroeks over ‘De mens van zes miljoen’, 20.00 uur, Paard van Troje, Prinsengracht 12, Den Haag. Toegang: € 8,50.

Over de oermens en zijn neefje de Neanderthaler zijn we de laatste tientallen jaren in hoog tempo veel meer te weten gekomen. Maar de canon van de Nederlandse geschiedenis begint pas met de hunebedden, zegt Wil Roebroeks (1955), hoogleraar archeologie van de Oude Steentijd in Leiden.

Bent u blij met het net in Duitsland gevonden ‘Venusbeeldje’ van 35.000 jaar oud?

„Fantastisch beeldje, maar ik vind dat er stuitend veel over gespeculeerd wordt. Wij archeologen kunnen veel. We kunnen er achterkomen hoe vroege mensachtigen zich verspreidden over de wereld. We weten veel over hun voedselvoorziening. We kennen hun hersengrootte. Maar we kunnen nauwelijks tot niet in de hoofden van die mensen kijken. Als je dan over paleo-porno begint, zegt dat meer over de mind van de onderzoeker dan over het verleden.

„En als ik toch bezig ben met ergernissen in het nieuws over mijn vak: dat nieuwe historisch museum en de canon van onze geschiedenis. Die laten we 5.000 jaar geleden beginnen. Waarom niet zeven miljoen jaar geleden, toen we nog een gemeenschappelijke voorouder deelden met de huidige chimpansee?”

Heb je er dan iets aan om onze evolutie te begrijpen?

„Het gaat om onze plaats in de natuur, om wat ons biologisch stuurt. Je hebt tegenwoordig bijvoorbeeld ‘evolutionaire geneeskunde’: een klein onderzoeksgebied – de farmaceutische industrie heeft er weinig belang bij – dat kijkt naar de gezondheidsgevolgen van leven in onze razendsnel veranderende cultuur met eengenoom dat in het Pleistoceen gevormd is. Vanwege die mismatch wordt ons steeds vaker gevraagd naar het dieet van de oermensen. Zo weten we nu dat de Neanderthalers vrijwel uitsluitend vlees aten, en met hun korte pootjes energievretende machines waren. Wij zijn de energiezuinige versie. Maar ons evolutionaire neefje hield het heel lang uit, als soort. Daar valt misschien van te leren.”

Is dat neefje-idee de reden dat de Neanderthaler zo tot de verbeelding spreekt?

„Het is een soort scheldwoord geworden. De behaarde, kromlopende bruut met een knuppel – waarvan er nooit een gevonden is. En hij is de verliezer, wij zijn de overwinnaars. Maar we weten niet eens zeker of we hier wel tegelijkertijd geleefd hebben: de dateringsmethode C14 werkt niet zo precies op die tijdschaal. Neanderthalers zijn verdwenen, dat weten we, en misschien had dat met hun dieet te maken. Intussen zijn de laatste jaren bijna alle vooroordelen over Neanderthalers opgeruimd. Ze hadden wél vuur, en werktuigen. Heel simpele, en ze doodden vooral grote beesten. Hun eenvoudige technologie werd misschien gecompenseerd door extreem grote kennis van diergedrag. Zo gaat het nog steeds bij veel jagers-verzamelaars. Er is alleen niets gevonden van kunst of persoonlijke sieraden.”

Kunst? Toch weer dat beeldje.

„Je weet niet wat het zegt. 30.000 jaar Tasmaniërs hebben ook bijna niets aan kunst opgeleverd, en dat waren toch moderne mensen, tijdgenoten van de makers van die ‘Venus van Hohle Fels’.”

LIESBETH KOENEN