Vooral geen aanstoot geven

Tweede Kamerlid Khadija Arib schrijft mooi over haar jeugd in Casablanca en Rotterdam-Noord.

Maar schetst ze een reëel beeld van moslimvrouwen?

Khadija Arib: Couscous op zondag Een familie-geschiedenis. Balans, 246 blz. €16,95.

Wat ondervonden de gezinnen van Marokkaanse ‘gastarbeiders’ die in de jaren zeventig door hun mannen en vaders naar Nederland werden gehaald? Wat gebeurde er in de beslotenheid van hun huizen? Er is een generatie aan het woord gekomen die de verhalen hierover nu in literaire vorm vertelt: het schitterende proza van Hafid Bouazza, de romans van Abdelkader Benali en de autobiografisch getinte fictie van Naïma El Bezaz. Bij deze schrijvers voegt zich nu het PvdA-Tweede-Kamerlid Khadija Arib (1960), die weliswaar geen roman, maar wel haar familiegeschiedenis te boek heeft gesteld in Couscous op zondag, een verhaal vol treffende anekdotes en sfeertekeningen. De perspectiefwisselingen tussen Marokko en Nederland, de levendige beschrijving van de personages in haar directe omgeving, het draagt allemaal bij tot een uitstekend vormgegeven en boeiend verhaal. Een Kamerlid dat echt kan schrijven, kom daar maar eens om.

Het is ook de successtory van een 15-jarig meisje dat van Casablanca in Rotterdam-Noord belandde, aanvankelijk geen woord Nederlands sprak, voor wie nog geen inburgering bestond en dat in een soort afvalbak van het onderwijs terecht kwam. Toch doorliep ze op eigen kracht de sociale academie en vervolgens een universitaire studie sociologie, om uiteindelijk als politiek activiste, die onder meer een Marokkaanse vrouwenorganisatie op poten zette, uit te groeien tot een gezaghebbend lid van het Nederlandse parlement. Je zou haar de vrouwelijke Ahmed Aboutaleb kunnen noemen.

Bewonderenswaardig. Bovendien is van zelfvergroting of zelfvertedering geen spoor te vinden. Maar dit zijn natuurlijk wel politieke memoires, geschreven door iemand met een politieke agenda. Van iemand die politiek actief is en midden in haar loopbaan een boek publiceert, valt geen snijden in eigen vlees te verwachten, geen introspectie.

Toen Arib zich in de jaren negentig bij de PvdA aansloot, was ze politiek geen onbeschreven blad meer. Zij was actief geweest in het marxistisch-leninistisch georiënteerde Komité Marokkaanse Arbeiders Nederland (KMAN). Daarmee voerde ze actie voor de rechten van Marokkanen in Nederland en tegen het dictatoriale regime van koning Hassan in Marokko en diens lange arm in het buitenland, de Amicales. Tijdens een vakantie in Marokko werd ze om politieke redenen gearresteerd, verhoord en met haar kinderen gevangengezet.

Het lag dan ook voor de hand dat zij, toen in Marokko na de dood van Hassan een nieuwe politieke wind was gaan waaien, bereid was haar expertise in te zetten als adviseur van de Marokkaanse Raad voor de Mensenrechten. Schandelijk genoeg is dit door de PVV aangegrepen om haar loyaliteit aan Nederland in twijfel te trekken en haar verdacht te maken als een politica die de belangen van Marokko voorop stelde. Tegen deze smet op haar reputatie stelt zij zich met open vizier en overtuigend teweer.

Arib komt uit een andere wereld dan de talrijke Nederlands-Marokkanen uit het noorden van Marokko, een minder benauwde, minder vrome, modernere wereld. De eerste gastarbeiders, zoals Aribs vader, leefden niet godsdienstig, de meesten vermaakten zich met blondines, dronken alcohol en spaarden om well-to-do naar Marokko te kunnen terugkeren. Problemen ontstonden er pas toen hun vrouwen en kinderen zich bij hen voegden, en echt schrijnend werden die problemen op het moment dat de immigranten uit Noord-Marokko, met hun middeleeuwse opvattingen over vrouwen, zich hier vestigden. De crux van Aribs persoonlijke succes is dat zij haar talenten heeft kunnen ontplooien dankzij een seculiere achtergrond.

Het is oud nieuws – Arib komt er als politica laat mee na het baanbrekende werk van Ayaan Hirsi Ali – dat de Nederlandse overheid duchtig de islamisering van de Marokkaanse bevolkingsgroepen heeft bevorderd. Zij moesten en zouden via de moskee worden benaderd, er moest en zou een kunstmatige islamitische zuil komen om als aanspreekpunt en ontvanger van subsidie te dienen. Behalve de radicalisering in de islamitische wereld, heeft het overheidsbeleid ertoe bijgedragen dat het integratievraagstuk tot een geloofskwestie werd verengd. Arib geeft helder inzicht in dit proces, dat schadelijk is geweest voor de integratie. Zij beschrijft het uit persoonlijke waarneming. En toch schuilt er dubbelzinnigheid in het boek. Aribs politieke agenda is gedeeltelijk volkomen helder, maar voor een ander deel knap verborgen in het persoonlijke levensverhaal. Dat geldt speciaal haar tactische benadering in het debat over de positie van islamitische vrouwen.

Arib kwam weliswaar altijd op voor Marokkaanse vrouwen, maar zij bewaart een angstvallig zwijgen over de aanklachten van Hirsi Ali tegen de onderdrukking op religieuze gronden van moslimvrouwen. De naam van Hirsi Ali wordt zelfs niet genoemd. Dat is ronduit zwak. Het verwijt van Hirsi Ali aan de PvdA, maar ook aan Arib persoonlijk, was dat zij ‘wegkeken’ van ongeletterde, door hun man opgesloten of in blijf-van-mijn-lijfhuizen kwijnende vrouwen. Na de uitzending van Hirsi Ali’s film Submission in 2004 verklaarde Arib in het Rotterdams Dagblad: „Hirsi Ali is uit op confrontatie en dat is zorgelijk. Het beeld is altijd van: zielige vrouwen, ze worden onderdrukt. Dat is ook zo, juridisch hadden ze nauwelijks rechten. Maar het zijn krachtige vrouwen, die gewoon de regie nemen en heel veel invloed hebben. Daar krijg je in de media toch een heel ander beeld van.”

Ja, in haar eigen min of meer seculiere milieu konden vrouwen doen alsof ze de regie hadden. Maar over islamitische gezinnen uit het noorden van Marokko dist Arib uit eigen waarneming ijzingwekkende verhalen op. Vrouwen en meisjes, haar Rotterdamse buren, werden als beesten behandeld. Aribs beste jeugdvriendin in Rotterdam-Noord, Louiza Ameziane, mocht van haar vader niet naar buiten. Ook schoolgaan was verboden. Met hulp van de jonge Khadija slaagden meisjes er soms in stiekem te ontsnappen. Toen Louiza in een portiek vree met een Nederlandse jongen, stond Khadija op de uitkijk. Vervolgens wist ze in het geheim een abortus voor haar vriendin te regelen. Zo kon het meisje alsnog in eigen kring trouwen, moeder en grootmoeder worden. Nu is ze ook zo’n vrouw die ‘gewoon de regie neemt’. Aan het einde van het boek blijkt ze nog steeds nauwelijks Nederlands te spreken en geen baan te hebben.

Aribs jeugdvriendinnen uit Rotterdam-Noord staan model voor een geleidelijke, onmerkbare, conflictloze ‘emancipatie’. Zij schildert hun uitgangspositie in schrille tinten, maar haar ‘oplossingen’ mogen vooral geen aanstoot geven. Hoe realistisch is het beeld dat Arib van deze ‘niet zielige, maar krachtige’ moslimvrouwen schetst? Is Louiza een fictieve figuur? Zo nee, is het dan geen probleem dat haar abortus met Aribs boek op straat ligt? Of zijn Louiza’s naam en die van de andere vriendinnen gefingeerd? Hoe geloofwaardig zijn ze dan? Hoe betrouwbaar is haar mededeling dat deze vrouwen nooit mishandeld werden, en in hun gezinnen nooit geweld voorkomt, omdat zij de schijn van onderdanigheid weten op te houden?

Arib schrijft dat haar vriendinnen in Rotterdam-Noord een manier hebben gevonden om met het islamitische gebod van gehoorzaamheid aan de man om te gaan: ‘geef de man het gevoel dat hij de baas is. Ga de strijd niet aan, dat verlies je toch.’

En hier stelt Arib, ondanks haar bewonderenswaardige persoonlijke verhaal, zwaar teleur. Als iemand ertoe zou moeten opwekken de strijd juist wel aan te gaan, wie zou daartoe dan meer aangewezen zijn dan deze voorvrouw van de PvdA?

Bekijk ook de site van Arib op: www.khadija-arib.com

Khadija Arib: Couscous op zondag

Een familie-geschiedenis. Balans, 246 blz. €16,95.