Op gepaste afstand

Na het treurige voorval in Apeldoorn zijn vragen hoe we tegenover het koningshuis staan extra actueel geworden.

Wat houdt onderdaan zijn eigenlijk in?

De koninklijke familie op het bordes van Paleis Soestdijk. In het midden v.l.n.r. prinses Margriet, koningin Juliana, prins Bernhard, prinses Christina en prinses Beatrix, 30 april 1970. Foto Spaarnestad Photo Koninginnedag, defil鮠De koninklijke familie op het bordes van Paleis Soestdijk, wuivend naar de voorbijtrekkende stoet mensen. In midden v.l.n.r. prinses Margriet, Koningin Juliana, prins Bernhard, prinses Christina, prinses Beatrix en Barend Biesheuvel. Baarn, Nederland, 1960-1970.

Eén van de raadselen aan het koningschap is het feit dat het zo ver boven ons is verheven, dat er tussen de vorst en ons geen feitelijke hiërarchie meer bestaat, geen tastbare relatie als tussen ouders en kinderen, leraar en leerling, werkgever en werknemer, dokter en patiënt. Als er nog mensen zijn die zich onderdaan voelen, wat zouden die dan eigenlijk moeten voelen?

Thorbecke dwong het koningschap in 1848 al in de spagaat van een eeuwig onschendbaar leven, gedekt door de verantwoordelijkheid van telkens wisselende ministers. Dat was niet alleen een politieke aderlating, maar ook het begin van de totale ontkalking van de monarchie. In de verhouding tot z’n volk stelt de vorst immers bijna niets concreets, niets lichamelijks meer voor: hij kan bij plechtige gelegenheden nog weleens uit zijn rijtuig zwaaien – maar wat komt er dan meer voorbij dan een imago, een verschijnsel, een fantoom?

Van het volk wordt bovendien verwacht dat het de geestverschijning een warm hart toedraagt, of er zelfs van houdt. Dat is het tweede raadsel. Want hoe brengt het volk ‘praktisch’ zijn genegenheid tot uiting? Als tegenover een geliefde? Een vader of moeder? Een weldoener? Een beschermengel? Onze-Lieve-Heer? Het derde raadsel is misschien nog onverklaarbaarder. Hoe beantwoordt de vorst de liefde van het volk met die van zichzelf?

Na het treurige voorval in Apeldoorn zijn deze vragen extra actueel geworden. Door haar persoonlijke betrokkenheid, haar intense meeleven met slachtoffers en nabestaanden (weinig mensen kunnen zo gekweld kijken als zij), en de koelbloedigheid waarmee ze haar publieke taken onmiddellijk weer opnam, blijkt Beatrix in veertien dagen tijd nog weer 9 procent geliefder te zijn geworden dan ze toch al was, en volgens Maurice de Hond vonden meer Nederlanders dan ooit dat zij weer dichter tot het volk was gekomen. Maar hoe dicht precies? Konden we haar aanraken? Mochten we haar aanraken?

In het Koninklijk Fotoalbum – model salontafelboek, met meer dan twaalfhonderd foto’s, snapshots, kiekjes, galaportretten en close-upjes uit de koninklijke 20ste eeuw – zie je op bladzij 53 de toenmalige familie op het Rotterdamse stadhuisbalkon staan. Het is november 1918, en men dankt het volk – niet zichtbaar op de foto – omdat het de revolutie van Troelstra heeft helpen afwenden. Het bijschrift citeert Wilhelmina, die later zei: „Wij zijn veilig geweest in Gods hand. Wij voelen dat Zijne leiding, aan onze historie gegeven, opnieuw is bevestigd. Wat was en is, zal ook in de toekomst zijn”.

Dat was voor de oude koningin het houvast: zij en haar familie waren – door een nog hogere macht dan zijzelf vertegenwoordigden – „over ons gesteld”, en tegen dat onwrikbare metafysische inzicht was een oproerkraaier uit de provincie niet opgewassen. Wilhelmina was van de negentiende eeuw, vorstelijk kind van een vader die tot aan z’n dood de wrok jegens Thorbecke levend zou houden, en wiens dochter nog in haar Londense ballingschapsjaren overwegend met dedain zou spreken en schrijven over ministers die verantwoordelijkheid moesten dragen voor haar onschendbare daden.

Als het efficiënt uitgegeven fotoalbum ook een geschiedboek mag heten, dan verdient het die naam alleen partieel. Heel klein in de marge zijn onder elk nieuw jaartal telkens wel zes of zeven ‘topgebeurtenissen’ uit dat jaar vermeld, maar alleen aan de auto’s en de mode zie je de wereld veranderen. Als er volk is, staat het op gepaste afstand en achter hekken op te kijken naar bordessen, balkons, vensters en logeplaatsen waar zich de familie bevindt. Dat was ook de afspraak: het is geen nationaal, het is een koninklijk salontafelboek. Tussen 1940 en 1945 bestaat er dus ook niet of nauwelijks een Nederlands volk, en in 1953 zie je een klein stukje watersnood over de schouders van koningin Juliana.

Het is een consequent gemaakt boek, waarin dipjes in de koninklijke geschiedenis (de oorlog, Greet Hofmans, Lockheedaffaire) niet zijn verzwegen. Maar tenzij Beatrix en straks Willem-Alexander nog altijd menen dat zij door God over ons gesteld zijn, zijn de raadsels niet verdwenen.

Meer foto’s zijn te zien op www.paleishetloo.nl

Emerentia van Heuven-van Nes (samenst.): Het Koninklijk Fotoalbum. Oranje in beeld in de twintigste eeuw. Thoth, 376 blz. € 49.50

    • Jan Blokker