Naar de (sub)top vanaf drie meter

De schoonspringsters Geurtsen en Janssen hebben nog één kans om de WK-limiet te halen, in Madrid.

In Amsterdam lukte het ze gisteren niet.

Iris Jansen (links) en Raisa Geurtsen. (Foto Michael Kooren)
foto Michael Kooren/ Utrecht, Amsterdam , 17-05-2009, Schoonspringen NRC Next, Iris Jansen en Raisa geurtsen, synchroonspringen.
Kooren, Michael

Schoonspringen in Nederland is groeiende; de springers en -springsters doen weer mee aan internationale wedstrijden. Raisa Geurtsen (21) en Iris Janssen (20) werden vorige maand bij de Europese titelstrijd in Turijn vijfde in de finale van het synchroonspringen vanaf de driemeterplank, hun beste prestatie samen. Van springers uit andere landen kregen ze een veelzeggend compliment: „Voor Nederlanders doen jullie het best goed.” Gisteren probeerden Geurtsen en Janssen tijdens de vijftiende Amsterdam Diving Cup, in het Sloterparkbad, de limiet voor deelname aan de wereldkampioenschappen in Rome (18-25 juli) te halen. Dat lukte het duo niet. Door een matige laatste sprong kwamen ze bijna negen punten tekort. Hun score was wel genoeg voor de eerste plaats.

De schoonspringsters zijn al een paar keer dicht bij de limiet geweest. Op de EK in Turijn kwamen de twee 0,76 punten tekort om aan de kwalificatie-eis van de Nederlandse zwembond (KNZB) te voldoen. Om aan de WK te mogen deelnemen, moeten Geurtsen en Janssen in principe twee keer de limiet springen, waarvan eenmaal in het buitenland. Ze hadden eigenlijk nog maar twee kansen, in Amsterdam en eind mei in Madrid. „We moeten hopen dat ze lief voor ons zijn en ons toch sturen”, aldus Geurtsen.

Het duo, dat sinds twee jaar samen springt, was voorafgaande aan de Diving Cup nog vol vertrouwen over hun WK kansen. Bij de senioren zijn er twee koppels die een goede kans maken. Behalve Geurtsen en Janssen zijn dat Yorick de Bruijn en Ramon de Meijer, die gisteren wel de WK limiet haalden. „Vroeger stond Nederland internationaal onderaan. Nu zitten we tegen de subtop aan. De topdrie is te ver, maar we staan regelmatig bij de eerste twaalf.”

Het schoonspringen in Nederland, dat sinds het afscheid van Daphne en Edwin Jongejans – wereldkampioen op de eenmeterplank in 1991 – halverwege de jaren negentig nauwelijks springers op internationale wedstrijden kende, begon zo’n vier jaar geleden aan een ommekeer. Sportkoepel NOC*NSF zag potentie in de sport en stelde een flinke som geld beschikbaar. Daarmee werd in oktober 2006 een topsportproject in Eindhoven gestart, onder leiding van de Hongaarse coach Balasz Ligart. Zijn contract liep tot vorig jaar, maar is door de goede resultaten verlengd tot de Olympische Spelen van 2012 in Londen.

„We trainen nu 25 uur in de week, bijna twee keer zoveel als voor dit project begon”, vertelt Geurtsen, die naast het schoonspringen druk is met een studie osteopathie, een opleiding die ze volgt aan een Amsterdamse privéschool. Ook Janssen studeert, commerciële economie. Janssen: „Omdat het NOC*NSF ons na de vijfde plaats op de EK de A-status gaf, krijgen we nu salaris. Maar je hebt een opleiding nodig om verder te komen na je sportcarrière.” Geurtsen: „Schoonspringen is niet de manier om geld te verdienen, het blijft een hobby.”

„De sleutel naar succes is jong beginnen”, meent Janssen, die op haar zevende begon met schoonspringen. „Zoveel mogelijk ervaring opdoen, zo lang mogelijk springen.” Maar hierin schuilt het gevaar van blessures. Alles aan je lichaam kan volgens Geurtsen kapot gaan bij het schoonspringen. Zelf was ze anderhalf jaar uit de roulatie door een rugblessure.

Janssen, die zich ook op de toren (10 meter) probeert te plaatsen voor de WK, is hersteld van een langdurige schouderblessure. Ook draagt ze braces om haar polsen, omdat deze gekneusd waren door de klappen op het water. Bij een sprong van de toren halen springers een snelheid van zo’n 60 kilometer per uur.

De Europese topspringers komen uit Rusland, Duitsland en Italië. Buiten Europa is er één land dat het schoonspringen domineert: China. Twee jaar geleden, bij de WK in Melbourne, gingen alle vijf gouden medailles naar Chinese vrouwen. „Chinezen trainen honderd uur in de week”, verklaart Geurtsen. Bovendien zijn hun trainingsmethoden niet vergelijkbaar met de Nederlandse. Janssen: „Een trainer gaat gewoon bovenop zo’n meisje zitten om haar spieren op te rekken, dat doen zelfs de Russen en Amerikanen niet.”

Er is nog een belangrijk verschil tussen de Nederlandse en buitenlandse schoonspringsters. Geurtsen en Janssen zijn relatief lang: 1,74 en 1,72 meter. Dit is net als bij het turnen een nadeel omdat je sneller kunt draaien wanneer je klein bent. En juist salto’s leveren tegenwoordig de meeste punten op. „Onze benen steken veel verder uit. We moeten dit nadeel compenseren door extra krachttraining en we moeten zorgen dat we extra lenig zijn”, zegt Janssen. Geurtsen: „Maar niet te veel krachttraining, want dan worden we helemaal kolossaal.”