Europees gidsland België is zijn volgers kwijt

Een gapende laaglandse politieke kloof werd onlangs zichtbaar op de televisie. De Belgische oud-premier Verhofstadt kwam op 6 mei bij Pauw & Witteman vertellen hoe Europa de wereld uit de financiële crisis kan redden: méér Europa is nodig, niet minder. Een Obama-plan op Europese schaal, geleid door één Europese economische regering, zo bepleit hij in het boek De weg uit de crisis.

Beide interviewers keken hem verbijsterd aan. Deze verbazing wordt gewoonlijk beroepsmatig voorgewend, maar ditmaal hoefden Pauw & Witteman niet te spelen. Meer Europa, dat wilde de bevolking toch niet? Stemde die niet bij elke geboden gelegenheid tégen Europa? Een cascade aan beelden van nee-stemmende kiezers uit de Franse, Nederlandse en Ierse referenda van 2005 en 2008 werd ten bewijze opgevoerd. En bovendien: de nationale politieke leiders wilden toch evenmin meer Europa? Ook Sarkozy en Merkel schoten tijdens de kredietcrisis immers meteen in de nationalistische reflex. Als klap op de vuurpijl waren er videobeelden van minister van Financiën Bos, die uitdagend zei: als wij in Nederland een impuls aan de economie willen geven, hebben we Brussel niet nodig; als wij in Nederland de vakbeweging bij de crisisoplossing willen betrekken, hebben we Brussel „totaal niet nodig”.

Verhofstadt wist wel raad met deze tegenwerpingen. „Binnen enkele jaren” zouden Sarkozy en Merkel en zelfs Bos inzien dat alleen Europa de oplossing kon bieden. Een kwestie van wachten tot de crisis nog meer pijn doet. Het was een repliek volgens het recept: wie nu geen bijval vindt, doet een beroep op de toekomst. Maar wanneer komt dat moment?

In België is vrijwel de gehele politieke klasse het eens over wat goed is voor de Europese Unie: volle kracht vooruit. Een Europese belasting, een Europees leger, een Europese regering, alle grote partijen zijn ervoor en het moet allemaal liefst morgen. (Dat dergelijke plannetjes in het nukkige Ierland de kiezers grote schrik aanjagen en er bij al te grote publiciteit toe kunnen leiden tot het door dezelfde Belgische politici zo felbegeerde nieuwe Europese verdrag in een tweede referendum later dit jaar opnieuw wordt afgewezen, mag de pret niet drukken.) Wegens deze consensus gaan de Europese verkiezingen in België niet over de inhoud, maar over de vraag wie van beide oud-premiers Dehaene en Verhofstadt als grootste Europeaan uit de stembus komt.

Het verschil met diezelfde verkiezingen in Nederland is frappant. In Den Haag gaat het erover hoeveel minder Europa er moet komen. De partijen doen een wedstrijd in het wegbezuinigen van Brusselse ambtenaren, snoeien in EU-subsidies, minderen van regels. Een doorsnee Nederlandse kandidaat zou bij de zuiderburen qua Europese standpunten in de richting van het Vlaams Belang zitten (het is even schrikken maar ik bedoel er verder niets mee), terwijl de gemiddelde Belgische kandidaat zelfs een D66-campagne tot nog grotere eurohoogten zou wensen op te zwiepen. Twee buurlanden die jarenlang samen optrokken als voorvechters van meer macht voor ‘Straatsburg’ verstaan elkaars verkiezingsstrijd niet. Het Europese verkiezingsdebat is door en door nationaal.

In Europa voelt België zich gidsland. (Zoals Nederland dat lang voor de hele wereld meende te zijn.) In de huidige Unie staan de regeringen van de lidstaten – regeringsleiders, ministers – in het centrum van de besluitvorming. Zij slaan zo goed en kwaad als het gaat de brug tussen Europese besluiten en de nationale bevolkingen. Toch blijft men in de Brusselse Wetstraat in koor beweren dat de nationale staat ten dode is opgeschreven en dat alleen Europa ons kan redden. Wij weten het al, de rest komt er wel achter. Het is alsof het eigen falen in het bijeenhouden van de Belgische staat wordt omgetoverd tot diepe wijsheid voor de Europese buren.

In België werkt met name het premierschap elektrificerend op het eurogeloof. Verhofstadt begon in 1999 als liberaal premier nogal lauwtjes over de Unie, maar was vijf jaar later geheel bekeerd. Zijn beide voorgangers, de christen-democratische premiers Martens en Dehaene, zijn al jarenlang lid van het Europarlement. In die kring hebben ze veel gezag – en ook Verhofstadt zal ongetwijfeld uitgroeien tot een leidende Europarlementariër – maar juist door de missiedrang gingen de mooiste banen aan hen voorbij. De kandidatuur voor het voorzitterschap van de Europese Commissie van zowel Dehaene (in 1994) als Verhofstadt (in 2004) liep stuk op Brits verzet.

Hoe zoiets gaat? In november 2003 hield Verhofstadt een lezing voor een liberaal congres in Amsterdam. Daarin bepleitte hij een Europese belasting, met een opmerkelijke argumentatie. In een omkering van de leuze uit de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd zei Verhofstadt: No representation without taxation. Oftewel: pas als er Europees belasting wordt geheven, kan er een volwaardige Europese democratie zijn. De diplomatiek adviseur van de premier had hem tevoren bezworen deze rede niet (of gewijzigd) uit te spreken, want hij vreesde voor de carrière van zijn baas. Tevergeefs. De tekst belandde op het bureau van de Britse EU-ambassadeur in Brussel, Stephen Wall. Deze onderstreepte de belastingpassages dubbeldik en zette het geheel op de fax naar Downing Street 10. Het bericht miste zijn uitwerking niet.

Pijnlijk intussen is dat het Belgische Europa-denken hoe langer hoe minder spoort met de Europese machtsverhoudingen en ontwikkelingen van de afgelopen decennia. Het gidsland is zijn volgers kwijt. De nationale staten zijn niet verdwenen, maar maken in gezamenlijkheid de dienst uit. Het is niet de Commissie die is uitgegroeid tot Europese (proto)regering, zoals verhoopt. In plaats daarvan zijn het de verzamelde regeringsleiders die het gezag uitoefenen, als Europese Raad.

Als alle lidstaten de kant van België opgaan, wordt Europa niet één, maar valt het uit elkaar.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/middelaar

    • Luuk van Middelaar