'Daar heb je er weer een'

Een nieuw probleem tekent zich in de Nederlandse samenleving af, begreep ik uit een reportage in de tv-rubriek EenVandaag. In woonwijken, vooral in de buurt van spoorwegstations, verschijnen steeds meer langparkeerders die er verder niets te zoeken hebben, behalve een gratis parkeerplaats.

Doodgemoedereerd stallen zij hun auto voor de deur van mensen die daar wonen, halen er hun vouwfietsje uit en karren vrolijk naar hun werk. Er zijn ook vakantiegangers bij die hun auto er een maandje laten staan. Daarop aangesproken verwijzen ze schouderophalend naar „de openbare ruimte die er voor iedereen is”.

Een moeder vertelde dat ze iemand vriendelijk had gevraagd zijn auto verderop te parkeren. Zij had thuis een kinderfeestje en veel mensen zouden hun kind voor haar huis komen afleveren. De parkeerder had botweg geweigerd – dáár kon hij niet aan beginnen.

De reportage richtte zich vooral op een straat bij het station van Bussum. Er kwam een kleine, oudere, gebrilde dame in beeld die zich in de kwestie had vastgebeten en af en toe de cameraploeg beduidde: „Daar heb je er weer een.”

Dan zag je een automobilist die met neergeslagen blik zijn auto verliet en zich haastig uit de voeten maakte, alsof hij net een lustmoord had gepleegd.

„Wij kennen onze pappenheimers”, zei de dame triomfantelijk.

Zij hield precies bij welke onverlaten elke dag de parkeerplaatsen kwamen innemen. Haar verbetenheid en deze hele kwestie fascineerden mij omdat ik er veel van een vroegere situatie in herkende.

In de jaren zeventig en tachtig (ja, „van de vorige eeuw”) bewoonden mijn ouders een appartement in het stadscentrum. Aan de achterkant bevond zich een kleine binnenplaats waar de bewoners van het gebouw hun auto kwijt konden. Dat was prettig, want ze mochten er gratis parkeren en er was altijd wel een plekje vrij.

Naarmate het in de stad drukker werd, probeerden steeds meer mensen van buiten – vooral op drukke koopdagen – op die binnenplaats te parkeren. Mijn vader zag dit met argusogen aan. Af en toe overkwam het hem dat hij tevergeefs een plekje op ‘zijn’ parkeerplaats zocht.

Gezien zijn temperamentvolle natuur was het onvermijdelijk dat deze situatie tot onhoudbare spanningen zou leiden.

De andere bewoners ondergingen hun lot wat flegmatieker, althans, zij lieten de bestrijding van dit kwaad graag aan mijn vader over. Hij was een gepensioneerd man en hij had er de tijd voor.

Net als bij die Bussumse dame groeide de parkeerkwestie bij hem uit tot een ware obsessie. Ook hij kende al snel zijn pappenheimers .

Vanaf de achterkant van zijn woning kon hij de hele binnenplaats in de gaten houden. Vele uren moet hij daar hebben doorgebracht.

De ergernissen namen alleen maar toe. Er waren bittere woordenwisselingen met foutparkeerders. Mijn vader zorgde ervoor dat er een hefboom kwam die alleen door de bewoners met een sleuteltje kon worden geopend.

Alles leek opgelost, maar toen bleken er weer slordige bewoners te zijn die de hefboom vergaten af te sluiten.

Soms leek het of mijn vader een guerrilla voerde tegen de onvolkomenheid van de menselijke natuur. Ik heb ervan geleerd dat je niet te vroeg met pensioen moet gaan.

    • Frits Abrahams