Voorbij het grote sterven

Het interessante artikel over de opvattingen van de demograaf Tim Dyson over de demografische transitie wordt ontsierd door een aantal slordigheden. Daarbij kunnen er enkele kanttekeningen bij geplaatst worden.Vrouwen kregen volgens Dyson vijf à zes kinderen vóór de demografische transitie, waarvan er twee volwassen werden. Dat is een overtrokken beeld voor West-Europa. Vrouwen die huwden kregen over het algemeen vier à vijf kinderen, waarvan er twee tot drie volwassen werden. Een deel van die volwassen kinderen stierf kort na het 18de jaar, een deel huwde niet en daarbij was er op lange termijn vrijwel doorlopend sprake van een bescheiden bevolkingsgroei vanaf 1400 in West-Europa. Al met al was in elk geval in West-Europa de sterfte voorafgaand aan de demografische transitie minder hoog dan in het artikel wordt gesteld. Ook wordt gesteld dat in samenlevingen voor de demografische transitie (1750) zo`n 10 procent van de bevolking in steden woonde. Dit is een stereotype, in Nederland, België en Engeland was dit niet het geval. In de Nederlandse Republiek woonde zelfs bijna de helft van de bevolking in grotere en kleinere steden rond 1650.Dyson stelt: In een samenleving vóór de transitie is op ieder moment driekwart van alle vrouwen tussen de 15 en 49 jaar zwanger of zoogt een kind”. Dit is onzin, uitgaande van de door hem zelf genoemde vijf a zes kinderen en een zoogtijd van baby`s van twee (!) jaar, zou nog niet de helft van de vrouwen zwanger zijn of kinderen zogen in die leeftijdsperiode. In West-Europa vóór 1750 was de gemiddelde huwelijksleeftijd van vrouwen eerder rond de 25 jaar, daarbij krijgen ze nauwelijks kinderen na hun 45ste jaar. Vrouwen daar waren denkelijk nog geen eenderde van hun leven tussen hun 15de en 49ste jaar zwanger of kinderen aan het zogen. In de niet-westerse wereld met haar lage huwelijksleeftijden lag dit aandeel misschien wel iets hoger.Overigens is het opmerkelijk dat het voorbeeld van Nederland niet genoemd wordt. Dyson meldt dat de bevolking van Frankrijk minder dan verdubbelde tijdens de demografische transitie, terwijl in andere Europese landen de bevolking groeide met een factor twee tot drie. De Nederlandse bevolking echter steeg gedurende de demografische transitie met een factor zeven tot acht: van minder dan 2 miljoen rond 1750 tot bijna 16 miljoen in 2000. De verklaring voor deze extreme ontwikkeling wordt er onder meer in gezocht dat religieuze groepen (katholieken, orthodox gereformeerden) relatief lang vasthielden aan een groot kindertal. Dat gebeurde niet alleen om religieuze redenen. Het was een manier om het (met name katholiek) aandeel in de bevolking te laten toenemen. Tot in de jaren zestig bleven grote gezinnen niet ongebruikelijk in Nederland, en groeide de Nederlandse bevolking voor Europese begrippen krankzinnig snel.Al met al is het oppassen geblazen met te makkelijke parallellen tussen de demografische transitie die de niet-Westerse wereld nu doormaakt, en die welke het Westen eerder doormaakte. Er zijn overeenkomsten, maar ook zeer grote verschillen.

Richard Paping Rijksuniversiteit Groningen