Voor het recht om te weten wat er uit de kraan komt

kraanwater.jpgDit is het verhaal van een man zoals iedere tijd er maar een paar kent. Een klokkenluider, maar dan anders. Bart Heyning is met enige goede wil aan te duiden als zakenman, met dien verstande dat hij platzak is. En niet door gebrek aan ondernemingslust. Zijn zwakte is zijn kracht: hij vecht voor het algemeen belang, in zijn geval uw recht om te weten wat er uit uw waterkraan komt.

Heyning maakt zich zorgen over wat de Rijn op zijn lange tocht door industrieel Duitsland aan restjes antidepressiva en andere mogelijk gevaarlijke stoffen oppikt. Hij denkt niet dat we dagelijks door een wonder aan de dood ontsnappen, maar hij vindt dat iedere burger het recht heeft te weten wat er in zijn drinkwater zit. Daarna kan ieder zelf uitmaken of hij uit de kraan blijft drinken of liever extra gezuiverd water koopt.

Dat laatste is heel gewoon in de Verenigde Staten, heb ik zelf ervaren. Het leidingwater ruikt daar naar zwembad en over de zuiverheid is soms discussie. Na mijn eerste kop dampend chloor ging ik op zoek naar schoner drinkwater. De aanbieder die mij het meest aansprak was het bedrijfje van een ingenieur die een stuk of twintig filterprocessen achter elkaar had gezet en vrijwel zuiver H2O aanbood, aan huis bezorgd tegen een schappelijke prijs.

In chloorarm Nederland ontwikkelde Heyning een vergelijkbaar systeem dat in 2003 bij wijze van proef in 26 AH-winkels te koop werd aangeboden onder de naam Zero Water. Dat heeft niet lang geduurd. De Nederlandse waterleidingbedrijven reageerden als door een adder gebeten. Zij schreven een waarschuwingsbrief aan Albert Heijn en in het RTL-Nieuws en enkele kranten lieten de waterbazen zich geringschattend uit over Zero Water. Het zou ‘accuwater’ zijn, misschien ‘geschikt voor stoomstrijkijzers’.

De supermarktketen was net verwikkeld in het boekhoudschandaal en had geen behoefte aan meer problemen. AH beëindigde het experiment. Heynings moeite en investeringen waren voorlopig voor niets geweest. Vewin en waterleidingbedrijf Vitens spanden een kort geding tegen hem aan omdat hij op zijn website twijfel zou zaaien aan de onbetwiste kwaliteit van het Nederlandse drinkwater. De waterleidingbedrijven kregen geen poot aan de grond.

Die uitspraak in kort geding uit 2003 werd onlangs door het Haags Gerechtshof bevestigd. (De uitspraak is hier te lezen.) Heyning had zich zorgvuldig uitgedrukt. Hij mocht opkomen voor het voorzorgprincipe, het recht van mensen om het zekere voor het onzekere te nemen en ervoor te kiezen ander water te drinken. Vewin en Vitens hebben hem schade berokkend door onjuist gebleken aantijgingen, herhaald in een lange procedure. De rechter moet nu vaststellen hoe groot die schade is. Tot zover het bedrijfsnieuws.

Ook voor de Nederlandse burger is met deze lijdensweg winst geboekt, maar die moet nog verzilverd worden in het politiek-bestuurlijke vlak. Voorlopig meten de waterleidingbedrijven hun eigen water en rapporteren zij aan de minister van VROM of zij voldoen aan de eisen van het Waterleidingbesluit. Dat zegt hoeveel er in het drinkwater mag zitten van een beperkt aantal stoffen. Meestal voldoen zij aan die eisen. Maar bij een uitbraak van de darmbacterie E. coli in Noord-Holland in 2007 waren zij niet echt snel en scheutig met informatie.

Het probleem is dat er veel meer stoffen in het drinkwater kunnen zitten dan wat bijgehouden moet worden volgens het Drinkwaterbesluit. In 1994 en in 2000 rapporteerde de RIWA, waarin Rijn- en Maaswaterleidingbedrijven samenwerken, over de catalogus aan giftige en mogelijk kankerverwekkende stoffen die in de Rijn en het daaruit bereide drinkwater werd gemeten. Allerlei stoffen die volgens het Waterleidingbesluit niet hoeven te worden bijgehouden. Op dat besluit is de jaarlijkse rapportage aan de Tweede Kamer gebaseerd die steevast het sein ‘Alles Veilig’ geeft.

West-Nederland ontleent zijn drinkwater aan de Rijn. Hoe kwetsbaar die bron is bleek in 1986 toen na een brand bij het  Zwitserse farmaceutisch bedrijf Sandoz 20 ton pesticiden in de Rijn terecht kwamen. De ramp leidde tot internationale actie, die veel verbetering heeft gebracht.

In  de loop der jaren hebben de in Vewin samenwerkende waterleidingbedrijven en het RIVM (het milieuexpertisecentrum van VROM) niettemin gewezen op de noodzaak drinkwaterbronnen beter te beschermen en vastgesteld dat er sporen oestrogeen (‘de pil’) en medicijnen tegen epilepsie en dergelijke verontreinigingen in het drinkwater kunnen zitten.

In Kamervragen heeft D66-lid Boris van der Ham vier maal geprobeerd aandacht te vragen voor het valse gevoel van veiligheid in de huidige rapportagesystematiek. De antwoorden waren steevast technisch en ontwijkend. Geen wonder. Het heeft er alle schijn van dat zij waren geschreven in nauwe samenwerking met de samenwerkende waterleidingbedrijven. Dat krijg je als op ministeries deskundigheid uit de mode is. Ons kent ons, schrijven jullie even een conceptje voor die vervelende Kamervragen.

Voor zover ik heb kunnen nagaan weet men in de wetenschap voor de meeste van die vele duizenden stoffen die in minieme hoeveelheden met de Rijn mee naar onze kraan spoelen, niet of zij ons kwaad doen. Niemand kan nu met redelijke zekerheid zeggen hoeveel schade aan de gezondheid het gevolg is van deze verontreinigingen. Maar stel dat het mensen met verhoogde gezondheidsrisico’s verzwakt, moeten de ogen dan van hogerhand worden gesloten?

In Amerika, waar van alles mis is, bestaan al geruime tijd right-to-knowwetten op milieugebied. In Nederland gelden verdragen en Europese richtlijnen die dat recht om te weten bieden, maar in twee zogenaamde ‘bentazon’-brieven componeerden bewindslieden in 1989 en 2000 voor de Nederlandse waterbranche een web van gedoogregels. Als de vervuiling niet te erg is, hoeft het ook niet gemeld te worden.

Erg genoeg dat we het niet mogen weten. Maar mogen we dan ook geen water kopen waarvan we denken dat het beter voor ons is?

    • Marc Chavannes