Vertellersmoraal

Ik zag een man met een gekke hoed en een lange nek de bus instappen. Hij ergerde zich overdreven aan een medepassagier. Twee uur later zag ik dezelfde man, die een kennis ontmoette. Die zei hem dat hij een extra knoop aan zijn jas moest laten naaien. Dit onbeduidende verhaaltje heb ik niet zelf bedacht, het is van Raymond Queneau die het in 1947 bedacht heeft en het vervolgens op 99 verschillende manieren verteld heeft: eenvoudig, dramatisch, met veel omhaal van woorden, in telegramstijl, als ik-verhaal, als hij-verhaal, in de tegenwoordige tijd enzovoorts. Exercices de style werd door Rudy Kousbroek meesterlijk vertaald in 1978. Ik heb de vertaling vaak gebruikt op colleges, om uit te leggen hoe verschillend een verhaal kan zijn, afhankelijk van de manier waarop het verteld wordt. Tegenwoordig gebruik ik die niet meer. Niet alleen omdat ik het uitgaafje niet meer kan vinden (het staat niet bij de Q en niet bij de K, niet bij de studieboeken en niet bij de literatuur – heb ik het uitgeleend? het is een dun boekje, het kan ook op een stapeltje ergens tussen gekomen zijn en dan vind ik het over tien jaar), maar ook omdat we tegenwoordig in de literatuurcolleges minder de nadruk leggen op verschillende manieren van vertellen dan op de focus van het vertellen. Toch blijft Queneau een must voor elke literatuurdocent. Ik ga hem nu weer gebruiken om de verteltheorie uit te leggen.

Als een schrijver een verhaal wil vertellen, zal hij altijd zich eerst afvragen hoe hij dat zal doen. Hij heeft waarschijnlijk al wat personages in zijn kop, al wat locaties, een paar rampzaligheden. Natuurlijk wil hij met zijn verhaal een visie overbrengen. Maar in wie zet hij die visie? Laat hij het hoofdpersonage ook zijn eigen visie uitstralen, Suezkade van Jan Siebelink of Over de liefde van Doeschka Meijsing? Kiest hij een vriendelijk beschouwend bijpersonage dat verstandig commentaar geeft – Tine in Max Havelaar? Of wil hij dat juist niet en schrijft hij lange tussenstukken met een eigen visie – de engelen in De ontdekking van de hemel? Hij moet in elk geval een soort woordvoerder hebben, iemand die de gebeurtenissen kan vertellen.

Het beste is dit uit te leggen door bij de eenvoudigste manier van een verhaal vertellen te beginnen: het ik-verhaal. Een situatie, die iedereen elke dag overkomt: je vertelt iets dat je zelf meegemaakt hebt. Zoals het verhaal waarmee ik begonnen ben. Als je dat opschrijft heb je de eenvoudigste versie van een vertelling. De ‘ik’ is een verteller door wiens woorden de lezer iets meegedeeld krijgt. Die ik-verteller voegt aan zijn verslag een mening, een interpretatie toe: in dit geval is de geobserveerde man al meteen een beetje vreemd. Hij heeft een gekke hoed, een te lange nek, hij ergert zich blijkbaar snel, en hij mist een knoop aan een jas. De lezer krijgt, doordat hij de ogen van de ‘ik’ leent, een bepaalde visie op de geobserveerde buspassagier opgedrongen.

Maar meestal zijn verhalen veel en veel ingewikkelder. Zoals dit fragment uit een verhaal: ‘Toen hij uit de woestijn kwam, moet Maria de broodmagere Jezus niet meer teruggekend hebben. Ik denk dat er een vreemd waas over zijn ogen was gekomen, alsof hij door alle mensen heen keek. Als een hippie trok hij door het land. Hij liep tempels binnen en begon zomaar te preken.’ Hier zitten twee tijden in het verhaal en twee vertellers. Een ik-verteller van nu verplaatst zich in de gedachten van iemand uit het verleden. Hij interpreteert het verleden, veronderstelt gedachten die Maria in het verleden gehad moet hebben. Daarnaast vertelt Maria, en spreekt haar verwondering uit.

Literatuurwetenschappers proberen in verhalen de focalisatie te onderscheiden van het zogenaamde point-of-view. Het point-of-view onderscheidt verschillende soorten vertellers. Als een verhaal geen ik-verteller heeft, kan er sprake zijn van een zogenaamde personale verteller, met ongeveer dezelfde functie: ‘Hij zag een man met een gekke hoed en een lange nek de bus instappen.’ De ik-verteller is een hij-verteller geworden. Over de liefde heeft een ik-verteller, Suezkade een hij-verteller. In de negentiende-eeuwse roman was de alwetende verteller, die boven het verhaal stond, gebruikelijk: ‘Laten wij ons nu verplaatsen, lieve lezer, naar een omnibus. We zien hoe onze hoofdpersoon G., comfortabel gezeten bij het raam, naar een nieuwe passagier kijkt, die een vreemd hoofddeksel draagt en wiens nek hoog boven zijn open jas uitsteekt.’ De alwetende verteller kan de gedachten van alle personen die hij beschrijft weergeven. De schrijver van een roman met een alwetende verteller heeft het in zekere zin makkelijker dan die van een personale roman. De eerste kan de gedachten van alle personages weergeven: die van de toeschouwer, de hoedenman, de ergerniswekkende buspassagier en die van de knopenvriend, terwijl de tweede schrijver alleen de gedachten van de toeschouwer mag opschrijven. In het Jezus-verhaal probeert de ik-verteller in het hoofd van Maria te kijken, maar geeft tegelijk aan dat het slechts een veronderstelling is. De Maria-verteller geeft haar eigen waarnemingen weer.

Maar er is meer, en belangrijkers aan de hand in een vertelling. Er is behalve degene die de gebeurtenissen vertelt, ook degene die een visie impliciet of expliciet weergeeft – die wordt de focalisator genoemd. Die visie kan samenvallen met die van de verteller, maar kan er ook net naast vallen. In De wandelaar van Adriaan van Dis is er een hele subtiele verschuiving tussen de waarnemingen van de wandelaar-hoofdpersoon en de onderliggende visie erop. In het verhaaltje van Queneau valt de visie van de ik-verteller samen met die van de focalisator. In het andere verhaalfragment ligt de focalisatie in de eerste zin zowel bij de ik-verteller als bij de Maria. De ‘ik’ meent dat Maria verbijsterd is – en Maria kent haar zoon niet terug. De tweede zin geeft de visie van de ik-verteller, en daarna is er weer Maria die impliciet haar visie op het gedrag van Jezus weergeeft. De focalisatie is een uitstekende manier om de lezer te manipuleren, zeggen de schrijvers van het meestgebruikte handboek voor verhaalanalyse aan de universiteiten, Luc Herman en Bart Vervaeck (Vertelduivels). De lezer, vervolgen zij, ziet vaak immers niet of de informatie gefilterd is door de perceptie van het personage of van de verteller. ‘Zo zou de lezer de “subjectieve” informatie die een personage hem verstrekt wel eens kunnen verslijten voor de “objectieve” informatie van een afstandelijke verteller’.

Het tweede verhaaltje dat ik citeerde komt uit mijn laatste column. Ik heb er veel reacties op gekregen. Boze van schrijvers die mijn woordgebruik ongepast vonden, aardige van schrijvers die het interessant vonden om te zien hoe ik de bijbeltekst terugbracht naar een hedendaagse waarneming. Dit is wat ik wilde laten zien: laat Jezus Jezus, kijk naar Maria en hoe die gekeken zou hebben nu, met de ogen van een bezorgde hedendaagse moeder. Ik hanteerde een ik-verteller en een personale verteller, twee tijden die door elkaar heen liepen en een voortdurend verschuivende focalisatie. Ik wilde niet objectief zijn, niet ontmythologiseren, alleen: laten zien dat een verhaal op verschillende wijzen verteld kan worden. Zoals literatuur doet. Queneau had het op 99 manieren gekund.

‘Messias met een puberbrein’ kan nagelezen worden op mijn webpagina van de Universiteit van Amsterdam.

    • Marita Mathijsen