Rugzak en rolkoffer

Met het begin van het toeristenseizoen verschijnen de backpackers weer in de steden, de mensen in de kracht van hun leven die een gewone koffer versmaden en liever hun hele hebben en houwen van het avontuur op hun rug torsen. Ik heb nooit een rugzak gehad, kan er dus niet over oordelen.

Lang heb ik gedacht dat de rugzak onherroepelijk op zijn retour was. De oorzaak daarvan is het koffertje op wielen en met een handvat waarmee je het achter je aan kon trekken. Wat een zegen. Er is nu al een generatie opgegroeid die niet beter weet, maar er is een tijd geweest, nog niet zo lang geleden, dat koffers geen wieltjes hadden. Ook de zwaarste bagage moest worden opgetild en gedragen. Op de stations en vliegvelden had je daarvoor de kruiers of witkielen. Als die er niet waren moest je zelf zeulen. Toen kwam een naamloos gebleven genie op het idee twee wieltjes aan een smalle zijkant van een koffer te bevestigen. Ieder idee is geboren uit een noodzaak. Hoe oud is het moderne toerisme? Wanneer zijn de eerste Britten naar Nice gegaan? Wie heeft die brede weg langs de zee de Boulevard des Anglais genoemd? Ik schat dat het een honderd jaar geleden is.

De eerste toeristen hadden knechten. Toen kwam de eerste golf van de democratisering, de knechten werden zelf toerist. Daarna kreeg je het massatoerisme van de Butlinkampen en de Disneylanden. Nog altijd hadden de koffers geen wieltjes. Is er een geschiedenis van de rolkoffer? Op Google word je bekogeld met voordelige aanbiedingen. Er zijn mensen die met rolkoffers vol cocaïne of gestolen bankbiljetten door de douane zijn betrapt. Maar geen uitvinder.

Jaren geleden heb ik eens een stukje over dit reiswondertje geschreven. Mijn theorie is dat een handige toerist, met een paar loodzware stukken bagage in de bus of de trein op weg naar het vakantieoord ergens op het platteland iemand achter een kruiwagen zag. Dat bracht in zijn hersens de kortsluiting teweeg, de aha-erlebnis. Weer thuis probeerde hij een klein koffertje van wieltjes te voorzien. Na een paar pogingen had hij een bruikbaar ding gemaakt, ging ermee naar een fabrikant die de uitvinding in massaproductie nam. Nu kunnen we niet meer zonder. Het ding maakt een eigen, uit alles herkenbaar geluid, een zacht, dof gerommel. Zonder mijn rolkoffertje zou ik niet meer op reis gaan.

Hoe komt het dat zo veel vooral jongeren dit gemak radicaal weigeren? Misschien uit verzet, niet in het bijzonder tegen de oudere generaties maar tegen de hele gemotoriseerde, gestroomlijnde, geplastificeerde, gesynthetiseerde, geautomatiseerde, gedigitaliseerde maatschappij. Ze kopen een rugzak, stoppen die vol met elementaire benodigdheden en gaan op weg, langs bos- en bergpaden de onbekende toekomst tegemoet. Daar begin je niets met een rolkoffer. Maar waar zijn die gebieden? Ver weg en moeilijk te vinden. Tien tegen één dat je met je avonturiersbepakking toch ergens in een grote stad in het openbaar vervoer terechtkomt. Daar sta je dan, in Amsterdam, in lijn 1 of 2, een tram van het laatste model, de combino.

Een volle rugzak is behalve bagage ook een uitbouw van het lichaam, een bult met een maximale doorsnee van een centimeter of veertig. Als je je omdraait, zwaait die bult automatisch mee, maar met een veel grotere snelheid. Een wiskundige kan dat binnen een paar seconden uitrekenen. De combino maakt in volle vaart een bocht. Daar had de rugzakker niet op gerekend, hij verliest zijn evenwicht, maakt een draai van negentig graden, vindt weer houvast, en heeft al draaiend met volle kracht een medepassagier geraakt. Die protesteert, door bijvoorbeeld een ruk aan de rugzak te geven. De drager voelt dat er iets niet in orde is, draait zich opnieuw om en plaatst zo een voltreffer op een andere passagier. Denk niet dat ik overdrijf. Dit is ’s zomers in de Amsterdamse tram geen ongewoon tafereel.

Ik heb geen vooroordeel tegen rugzakken, ik veroorloof me alleen een paar kanttekeningen. De eerste rugzakdragers noemden zich trekkers. Ze gingen niet op reis, ze trokken van A naar B en verder. Trekken is iets anders dan reizen, het is avontuurlijker. Nu noemen ze zich backpackers, spreek uit bekpekkers. Fonetisch gespeld doet het eerder aan een vogel denken, familie van de specht.

Zoeken we een vergelijking in de dierenwereld, dan komen we bij de dromedaris. Heeft één bult. Een dromedaris, leerde ik op school, is een kameel die nog niet klaar is. Er zijn ook backpackers die een extra zak op hun borst dragen.