Requiem voor de reuzentonijn

Japanse sushi’s hebben de tonijn in de Middellandse Zee op de rand van uitsterven gebracht. Een visserijtraditie van duizenden jaren verdampt in een decennium. Over een ecologische ramp, economische roofbouw en politieke onmacht.

Spaanse vissers van de almadraba trekken de tonijn met haken aan boord. Een volwassen blauwvintonijn kan meer dan drie meter lang worden, met een gewicht van ruim 500 kilo. OPP

Luchtbellen van duikers borrelen naar de oppervlakte. Vanaf hun boten kijkt een zestigtal vissers gespannen toe. Twee van hun collega’s in kikvorspakken zijn afgezakt in een doolhof van visnetten dat tussen de boten ligt. Ze speuren naar tonijn. Het is nog vroeg in de ochtend, de lage zon zet de stranden van Zahara de los Atunes in een warme gloed. Het wordt een mooie lentedag aan de Zuid-Spaanse kust bij de Straat van Gibraltar.

Als de duikers bovenkomen met hun duimen in de lucht rolt een overwinningskreet over het water. Vis in de netten betekent geld. De kapitein blaast zijn bevelen op een scheidsrechtersfluitje, de boten en sloepen rondom het net veranderen in een razende machine van kabels, ratelende kettingen en lieren die aanslaan. De vangst van de reuzentonijn kan beginnen.

Bij het optrekken van de netten lijkt de zee langzaam aan de kook te raken. Het wateroppervlak begint te trillen, golfjes ontstaan. De eerste metaalkleurige schimmen duiken op en schieten als meterslange torpedo’s door het water, tevergeefs op zoek naar een uitgang in de netten. Plotseling klinkt, boven het geschreeuw en het fluitje van de kapitein uit, het geklepper van krachtige staarten waarmee de tonijn in doodsnood op het water slaat. Direct daarna regent het vissen: het geweld van de staarten zwiept honderden makrelen, die zich tussen de tonijn bevinden, door de lucht. Kletterend landt de makreel op het dek van de sloepen.

Een tiental vissers springt uit de sloepen het opgetrokken net in. Grote haken trekken de blauwvintonijn – of atún rojo, zoals de vis hier heet – naar de vissersboten. Daar worden de grote vissen snel met een lier uit het water gehaald. Metershoge witte schuimfonteinen van de tonijnstaarten kleuren roder en doven ten slotte langzaam uit.

Aan dek liggen de reuzenexemplaren, drie meter en langer, honderden kilo’s zwaar, nog even na te trillen. Dan verdwijnen ze in de bak met ijswater in het ruim. Snel wordt koers gezet richting thuishaven. Daar staan Japanse opkopers klaar om de vissen te keuren en door te sturen naar hun vrachtschepen.

Het ruikt naar tonijn op de kade van het vissersstadje Barbate, ten westen van Gibraltar. Roestige, met zeepokken begroeide ankers liggen in het gelid tegenover een container die dienst doet als koffiehok van de tonijnvissers. Tegenover de ingang van de haven kan de toerist terecht in het Tonijnmuseum, waar de vis in dure potjes en blikjes wordt verkocht, of in de vorm van mojama, de gefermenteerde tonijn die er uitziet als rauwe ham. Er zijn boottochten langs de tonijnnetten vlak voor de kust.

De almadraba , zo heet de tonijnvangst hier. Het is de oudste nog levende vistraditie in de westerse wereld: een aards ritueel, dat de Feniciërs en Romeinen al op industriële wijze beoefenden.

Thunnus Thynnus, de reuzentonijn, zwemt al sinds mensenheugenis, iedere lente weer, in enorme scholen voorbij: vanuit de Atlantische Oceaan, door de Straat van Gibraltar, op weg om te paren in het warme water van de Middellandse Zee. Tot in de grotten op Gibraltar hebben archeologen tonijnresten van tienduizenden jaren oud aangetroffen die worden gezien als bewijs dat zelfs Neanderthalers tonijn aten.

Aan het begin van de 21ste eeuw dreigen de reuzentonijn en een millennia oude vistraditie abrupt en definitief hun einde te vinden. Thunnus Thynnus sterft uit door overbevissing.

Het uitsterven van de blauwvintonijn geldt als een rampzalig voorbeeld van mondiaal onvermogen de oceanen op duurzame wijze te beheren. Vrijwel openlijke plundering, fraude, een rampzalige Europese visserijpolitiek en falend internationaal toezicht hebben ertoe geleid dat één van de grootste vissoorten uit de Europese wateren op sterven na dood is.

De tonijnvisserij heeft vaker in crisis verkeerd. Maar niet eerder was de crisis een doodstrijd. Japanse sushi en sashimi, kleine hapjes aan de andere kant van de aardbol, zijn er de oorzaak van dat de tonijn in minder dan tien jaar wordt weggevaagd. Een hypermoderne vloot van tonijnschepen, in belangrijke mate van Europese makelij, heeft de tonijn weggevist voor de Japanse markt. De handel, waarmee vele honderden miljoenen euro’s gemoeid zijn, heeft een race ontketend om zoveel mogelijk tonijn zo goedkoop mogelijk uit de zee te vissen.

Het is niet de traditionele almadraba bij Gibraltar die een doodvonnis velt voor de tonijn. Het zijn ‘tonijnboerderijen’ langs de kusten in de hele Middellandse Zee waarin de tonijn te jong wordt vastgezet, om als diepgevroren torpedo’s te eindigen in de vrieshuizen van grote Japanse handelsconglomeraten.

Zeker 85 procent van de Europese tonijn vindt nu zijn weg naar Japan. Tonijnkenners halen hun neus op voor de boerderijtonijn. Een lage kwaliteit tegen een lage prijs. Het is het basismateriaal voor de massaproductie van sushi en sashimi in de goedkopere sushirestaurants en supermarkten. Juist deze massale export van tonijn voor de Japanse markt is er volgens wetenschappers, natuur- en milieuorganisaties, markthandelaren en visspecialisten de oorzaak van dat de doodsklok voor de blauwvintonijn wordt geluid.

Diego Crespo, directeur van de almadraba van Zahara de los Atunes, zucht diep. Het seizoen is drie weken geleden geopend en tot nu zaten nog maar zeven tonijnen in de netten. De resultaten van de andere drie almadraba’s, hier aan de zuidkust van de provincie Cádiz, stemmen evenmin tot vrolijkheid. Het resultaat tot dusver: zo’n honderd tonijnen, meer niet.

„Ieder jaar is het minder”, zegt Crespo. „Als het zo doorgaat, kunnen we de zaak niet meer financieren.” Zelfs de hoge prijzen die de Japanners bereid zijn te betalen voor de exclusieve ‘wilde’ blauwvintonijn van de almadraba levert niet meer voldoende op om de grote ploegen vissers te bekostigen. Volgend jaar zullen de almadraba’s wéér minder werk bieden.

De Spaanse afdeling van het World Wide Fund for Nature (WWF), in Nederland actief onder de naam Wereldnatuurfonds, liet bij de opening van het vangstseizoen weten dat de definitieve uitroeiing van de blauwvintonijn in de oostelijke Atlantische Oceaan een kwestie van tijd is. „Op basis van de cijfers die we nu hebben, is de ineenstorting van de soort onvermijdelijk”, zegt dr. Sergi Tudela, hoofd van de mediterrane visserijcampagnes van het WWF en erkend tonijnexpert, vanuit zijn kantoor in Barcelona. „Tussen nu en 2015 verdwijnt de blauwvintonijn.”

In 2007 telde de populatie van geslachtsrijpe blauwvintonijn nog maar een kwart van hun aantal vijftig jaar eerder, aldus cijfers die het fonds verzamelde. Alleen een algemeen vangstverbod kan de blauwvintonijn van de ondergang redden, denkt het WWF.

Vanaf de grote Tsukiji-vismarkt in Tokio en alle andere visafslagen in Japan kwamen de afgelopen weken berichten die de dreigende ramp bevestigen. De verse blauwvintonijn uit de boerderijen van de Middellandse Zee deed de Spaanse tonijndeskundige Roberto Mielgo de haren te berge rijzen. Met stijgende woede en wanhoop somt hij, vanaf zijn werkplek in Malta, de Japanse data op. „Hier, een tonijn van 33 kilo uit Tunesië, eentje van 49 kilo uit Spanje, nog een van 28 kilo: allemaal onder de toegestane minimum omvang. Toen ik in Libië en Tunesië werkte, waren de vissen gemiddeld 250 kilo zwaar. En nu dit. De grote klap is uitgedeeld.”

In de jaren negentig hielp Mielgo tonijnboerderijen op te zetten. Eerst in Spanje en Kroatië, vervolgens in Italië, Griekenland, Cyprus en Malta, Algerije, Tunesië, Libië en Turkije. De lucratieve vetmestboerderijen veroverden de markt. Maar wat Mielgo in de loop van de jaren negentig ziet gebeuren, gaat hem hoe langer hoe meer tegenstaan. De vroegere ambachtelijke visserij van de almadraba, met zijn vaste netten, heeft niets meer van doen met tonijnvisserij. Tot in de laatste voortplantingsgebieden van de Middellandse Zee wordt op tonijn gejaagd – met inzet van steeds modernere schepen, uitgerust met hightech-opsporingssystemen en een voortdurend toenemende vangstcapaciteit. Ondanks een internationaal verbod sporen kleine vliegtuigjes de tonijn snel en efficiënt op. Geen vis ontkomt.

Fraude en bedrog werken de snelle plundering van de tonijnvoorraad verder in de hand. Internationaal vastgestelde vangstquota in de Middellandse Zee worden op grote schaal ontdoken. Er ontstaat een levendige handel in ‘zwarte’ tonijn, die buiten de quota is gevangen, maar ongehinderd zijn weg naar de Japanse markt vindt. De regimes in Libië en Tunesië verrijken zich door tonijnboerderijen in hun territoriale wateren toe te staan die zich niet veel hoeven aan te trekken van de internationaal overeengekomen visquota. Libië meldt sinds 2004 zijn vangsten niet meer.

De Italiaanse en de Franse tonijnvloot vissen ruim boven de hun toegewezen quota. Japanners laten voor de Algerijnse kust longliners, boten met kilometers lange lijnen waaraan vishaken zijn bevestigd, rondvaren. Volgen schattingen vangen die drie keer zoveel tonijn als officieel wordt aangemeld. Exportdata voor tonijn uit Algerije ontbreken. Uit de handelscijfers tussen Spanje en Tunesië in 2004 blijkt dat honderden tonnen tonijn min of meer zoek zijn in de vangststatistieken. Turkije vist in 2005 flink op tonijn zonder dat het land ook maar iets van quota toegewezen heeft gekregen. Korea meldt niets over de vangsten van zijn vissersschepen die nog steeds actief zijn in de Middellandse Zee. Kroatië blijkt op grote schaal te rommelen met de officiële vangstcijfers en laat duizenden tonnen tonijn uit zijn vetmestboerderijen onvermeld. Hetzelfde geldt voor Malta, dat in 2004 bijna twee keer zoveel tonijn liet wegvissen voor zijn boerderijen dan aangemeld. Bovendien knoeit Malta op ruime schaal met de vangstadministratie, zodat illegaal gevangen tonijn alsnog wordt witgewassen.

Op de Italiaanse tonijnmarkten blijkt de maffia zich met de handel in te laten.

„Het draait nu om pure hebzucht”, zegt Roberto Mielgo. Als onafhankelijk deskundige schreef hij rapporten voor het WWF en Greenpeace die voor de nodige opschudding in de tonijnsector zorgden. Het kwam hem en zijn medewerkers te staan op doodsbedreigingen. De handel in de blauwvintonijn was big business. En daar houdt men niet van pottenkijkers.

De man die de vetmestboerderijen in de Middellandse Zee groot maakte, liep ooit met een viskar door de straten van Cartagena. Ricardo Fuentes begon samen met de grote Japanse handelsconglomeraten Mitsubishi Corporation, Maruha en Mitsui in de jaren negentig tonijnboerderijen op te zetten. De omzet van zijn houdstermaatschappij, Ricardo Fuentes & zonen, zou binnen tien jaar uitgroeien tot een kwart miljard euro.

De techniek van tonijnboerderijen is ontwikkeld in Australië, voor de vangst van blauwvintonijn in de Stille Oceaan. Bij het paren komen tonijnen in scholen aan de oppervlakte, waar ze in een purse seine, of buidelnet, worden opgevist. Een sleepboot vervoert het net met de gevangen vis, uiterst langzaam, naar de kooinetten van de tonijnboerderij. Vier tot zes maanden blijven de vissen in de kooien. Daarna volgt de slacht met harpoenen en geweren.

„Wij krijgen altijd de schuld”, klaagt directeur David Martínez van de firma Ricardo Fuentes & zonen over de rol van de tonijnboerderijen bij de overbevissing. Hij wijst op de moeilijke situatie op de tonijnmarkt: Japan heeft een enorme vraag naar tonijn gecreëerd, maar de consument wil weinig betalen. De concurrentie is moordend. Het probleem is volgens Martínez niet het boerderij-imperium van Fuentes, maar de enorme overcapaciteit van de purse seine-schepen die op tonijn vissen in de Middellandse Zee. „Daar zou het mes in moeten”, meent Martínez. „Maar geen enkel land wil de eerste stap zetten.”

Al sinds eind jaren zestig waakt de Internationale commissie voor het beheer van de Atlantische tonijn, de ICCAT, over de stand van de blauwvintonijn. Zesenveertig landen en de Europese Unie zijn hiervan lid. Formeel stelt dit gezelschap vangstquota, een minimumgewicht en een beperkt vangstseizoen vast. Maar in de praktijk lijkt de organisatie eerder een speelbal van grote financiële belangen in de tonijnvisserij. De ‘International Conspiracy to Catch all Tuna’, zo staat de ICCAT inmiddels in het tonijnwereldje bekend.

Een commissie van internationale tonijnwetenschappers, die de commissie van advies voorziet, waarschuwt sinds enkele jaren op steeds schrillere toon dat de beschermende maatregelen op grote schaal worden ontdoken. De deskundigen schatten de vangsten rond de Middellandse Zee in 2007 op 61.000 ton: meer dan drie keer zoveel als het niveau dat zij adviseerden voor een duurzame bevissing.

De laatste jaarlijkse ICCAT-bijeenkomst, afgelopen november in Marrakech, geldt in brede kring als het voorlopige dieptepunt in de geschiedenis van de organisatie. Terwijl natuur- en milieuorganisaties hoopten op een tijdelijke vangststop stelde de ICCAT de totale toegestane vangst in de Middellandse Zee vast op 22.000 ton. Dat was 7.000 ton hoger dan haar eigen deskundigen hadden vastgesteld als maximaal acceptabele vangst. De milieu- en natuurbewegingen spraken schande van het besluit. Tonijndeskundigen van het wetenschappelijke adviescomité lieten binnenskamers weten dat de ICCAT voor hen iedere geloofwaardigheid had verloren. Zelfs de handel toonde zich beschaamd en ongemakkelijk. Mitsubishi Corporation, de grootste Japanse importeur van tonijn die zich graag laat voorstaan op duurzaamheid, meende zich van het besluit te moeten distantiëren. In een officiële verklaring liet het weten ‘uiterst teleurgesteld’ te zijn: „Mitsubishi Corporation gelooft dat de mediterrane blauwvintonijn wordt overbevist. Nu er geen effectieve controle of management is ingesteld, zal de situatie verergeren.”

Maar stopzetten deed Mitsubishi de handel niet. Omstandig verklaarde het handelshuis dat het wel wilde meewerken aan een moratorium, of zelfs complete stopzetting, van de commerciële handel in blauwvintonijn. Maar dan wel als de wereldgemeenschap als geheel overeenstemming bereikte om deze maatregelen door te voeren. De grote Japanse importeur waste zijn handen in onschuld. Het probleem lag niet bij hem, eerst moest de wereld het maar eens worden over de redding van de blauwvintonijn.

Professor Makoto Miyake, de Japanse nestor onder de tonijndeskundigen, moet erom glimlachen. Hij denkt dat Mitsubishi Corporation en de andere grote Japanse handelshuizen niet echt wakker liggen van het lot van de blauwvintonijn. Maar vooral de Europese Unie zou er volgens hem goed aan doen eens naar haar eigen optreden te kijken. „Als wetenschapper zeg ik: verbied het vissen tijdens de paringsperiode van mei tot en met juli in de Middellandse Zee. Dat is makkelijk te controleren. Arresteer de purse seine- vissers die het gebod overtreden. Maar goed: als de Europese landen niet in staat zijn dergelijke afspraken te maken, dan houdt het op.”

De Europese Unie speelde dan ook een centrale rol in het debacle van de vangstafspraken in Marrakech. Anders dan de algemene verontwaardiging die het ICCAT besluit opriep, toonde een woordvoerder van de Europese Commissaris voor visserij, Joe Borg, afkomstig van Malta en dus goed bekend met de problematiek, zich na afloop als een van de weinigen „zeer tevreden”. Verschillende vertegenwoordigers die bij de onderhandelingen waren betrokken, zeggen dat het vooral onder druk van Frankrijk was dat de tonijnorganisatie besloot de adviezen van haar eigen wetenschappers terzijde te schuiven.

Zoals wel vaker in Europa was het probleem dat er oude rekeningen tussen lidstaten te vereffenen waren. Samen met Italië beschikt Frankrijk over de grootste vloot van purse seine-schepen. De Franse tonijnvissers voelden zich onheus behandeld, omdat Frankrijk met kortingen gestraft dreigde te worden wegens het overschrijden van de vangstquota. De Italiaanse vissers – die eveneens de quota hadden geschonden maar dat weigerden te erkennen en bovendien een loopje namen met de vangstadministratie – kwamen er echter zonder kleerscheuren van af. De Franse vissers voelden zich tekortgedaan en zetten daarop hun regering onder druk. Het Franse EU-voorzitterschap bood bovendien een mooie gelegenheid de Franse wil door te drukken. Aldus werd de totale toegestane vangst van tonijn verhoogd tot een niveau dat niemand had verwacht. In ruil hiervoor werd bedongen dat voortaan echt serieus toezicht moest worden gehouden op de vangst- en quotaregelingen.

James Bond in Vigo: we achtervolgen de Europese tonijnvloot in de Middellandse Zee. Op een breed computerscherm, in een kantoorgebouw naast de haven van het Noord-Spaanse Vigo, verschijnen puntjes en lijnen in verschillende kleuren die een koers door het water trekken: blauw voor de Franse, rood voor de Spaanse en groen voor de Italiaanse purse seine-schepen. De strepen komen samen in de gebieden waar de tonijn bezig is met kuitschieten.

Harm Koster, directeur van het Europese Visserij Controle Agentschap, zoomt in op een blauwe lijn die vlak voor de kust van Egypte eindigt. „Kijk”, zegt Koster, terwijl hij met zijn pen op het scherm tikt, „Een illegale transfer van een Frans schip met ongedeclareerde tonijn.” Een tipgever had hem al gewaarschuwd dat deze illegaal gevangen tonijn voor de haven van Port Saïd werd overgeladen. „En hier zie je het gebeuren: drie uur lang op lage snelheid vlak voor de haven. Dan weet je wel hoe laat het is.”

Hij wordt wel de ‘Eliot Ness van de tonijn’ genoemd. Harm Koster bond de strijd aan tegen het geknoei met vangstcertificaten, de inzet van de verboden verkenningsvliegtuigjes en de handel in zwarte tonijn. „Het was een beetje uit hand gelopen met de tonijnvisserij”, zegt Koster met gevoel voor understatement.

Met een budget van vijf miljoen euro en nauwelijks eigen middelen leek de controle van een visserijvloot van ruim duizend schepen aanvankelijk onbegonnen werk. Een krachtige kustwacht, naar Amerikaans model, zou het agentschap nooit kunnen worden. Wettelijke regels, ook die van vangstbeperking, worden immers afgedwongen op nationaal niveau. „Ze lachten me uit toen ik met een lijstje kwam van de middelen die we wilden inzetten voor controle”, kan Koster zich herinneren.

Dat lachen is de collega’s in Brussel inmiddels wel vergaan. In de korte tijd van zijn bestaan heeft het agentschap een gedegen reputatie weten op te bouwen. In 2007 werd de illegale vangst van kabeljauw aan banden gelegd. Vorig jaar begon het grotere werk: van de controle van tonijnvangst in de Middellandse Zee.

Het was een kwestie van controlemiddelen bundelen van de afzonderlijke lidstaten, legt Koster uit. Zo bleek hij opeens te beschikken over een onverwacht groot apparaat. Voor de tonijncampagne van vorig jaar had hij een vloot van 53 patrouilleschepen, 16 vliegtuigen en een troepenmacht van bijna 150 inspecteurs.

Koster moet vechten tegen de enorme overcapaciteit van de vloot aan purse seine-schepen die rondvaart in de Middellandse Zee. Een onderzoek van het WWF telde in 2008 meer dan zeshonderd van deze vissersschepen, met een gezamenlijke vangstcapaciteit van 55.000 ton – bijna vier maal de als duurzaam aangemerkte hoeveelheid. Turkije had in korte tijd een vloot van 180 tonijnboten opgebouwd, Italië had meer dan honderd schepen, met twee keer meer vangstcapaciteit dan het aan quota bezit. En het lijkt erop dat het aantal schepen in de Middellandse Zee nog altijd groeit.

De tonijnpolitie van de EU houdt een vissersvloot in de gaten die voor een deel door de Europese belastingbetalers zelf is betaald. Vanaf eind jaren negentig werd met de hulp van Europese subsidies de purse seine-vloot van Spanje, Frankrijk en Italië drastisch vernieuwd. Nu wordt, opnieuw met Europese subsidies, geprobeerd de overcapaciteit aan schepen terug te brengen. Erg succesvol is dat overigens niet. „In Frankrijk hebben zich maar twee of drie schepen gemeld voor een beëindigingsubsidie”, zegt Koster. „Er zijn nog veel te veel vissersschepen in de Middellandse Zee.” In plaats van een subsidie op te strijken zoeken de vissers liever een manier om door te vissen. Europese purse seine-schepen uit Frankrijk gaan bijvoorbeeld door onder Algerijnse vlag: voor dezelfde tonijnboerderijen, dezelfde opkopers en dezelfde Japanse markt.

De EU heeft de controle van de tonijnvangst nu tot prioriteit verklaard. Het Agentschap van Koster hoopt dit seizoen nog scherper te kunnen optreden. De koppeling van satellietcontroles, waarmee de verschillende lidstaten en de ICCAT hun vissersschepen volgen, wordt online met een beamer op een wandscherm geprojecteerd op de burelen in Vigo. Iedere middag moet er op basis van actuele data een schema de deur uit voor de patrouilleboten en de inspecteurs ter plekke. Maar of de ondergang van de blauwvintonijn daarmee te voorkomen valt?

De reuzentonijn heeft zijn langste tijd gehad, vrezen de vissers van de almadraba. „Mijn familie zit al generaties lang in de almadraba, het zit ons hier in het bloed”, zegt een visser bij een kop koffie in het Zuid-Spaanse vissersstadje Barbate. „Om de hoek liggen de Romeinse ruïnes waar je de putten van het inzouten van tonijn nog kunt zien. Dat was tweeduizend jaar geleden. Maar ik denk niet dat mijn zoon, die nu twaalf is, het nog in het echt zal meemaken.”

Deze week verschijnt van NRC-correspondent Steven Adolf het boek ‘Reuzentonijn, opkomst en ondergang van een wereldvis’. Dit boek is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.