Onverschrokken peuters in de sloppenwijk

In de sloppenwijken in Rio de Janeiro groeien kinderen op met geweld. Een oorverdovende schietpartij in de straat voor een crèche klinkt als vuurwerk in de oren van de peuters.

De stenen trap de berg op is steil en lijkt eindeloos. Halverwege, op het horizontale gedeelte, zit een groepje crackeiro’s, zoals de crackjunks hier worden genoemd. Vieze jongens met doorleefde gezichten. Ze zijn acht tot veertien jaar.

Plotseling klinken er vier korte knallen, dan een lange knal, alsof er een vuurpijl is afgeschoten. Onverstoorbaar roken de crackeiro’s door.

Aan het einde van de trap ligt Pavão-Pavãozinho, een sloppenwijk. De buurt is gebouwd op de berghellingen achter de strandwijken Copacabana en Ipanema. Aan de rand van de sloppenwijk liggen enkele oude koloniale huizen, enigszins afgeschermd van de straat door muren. In de villa’s is onder meer een crèche gevestigd en krijgen kinderen uit de favela onderwijs.

Op de binnenplaats van de crèche en peuteropvang schijnt de zon bijna gemoedelijk. Een paar kinderen rennen rond. Hun tenue is een uniform van het opvangcentrum, dat gerund wordt door een non-gouvernementele organisatie, Solar Meninos de Luz. Het is net na twaalven, een beetje spitsuur. Etenstijd. Maar ineens ontstaat er lichte paniek. Vrijwilligers stormen naar binnen. Iedereen wordt gemaand zo snel mogelijk dekking te zoeken.

Dan wordt duidelijk waarom tien minuten daarvoor die knallen, die leken op een vuurpijl, klonken. Het was een alarmsignaal van de drugsbende in de favela: de politie is in aantocht.

De schoten die volgen zijn oorverdovend en onophoudelijk. Op de straat voor de crèche is een vuurgevecht losgebarsten. Voor de ingang van het gebouw sluipen zwaarbewapende politieagenten in kogelvrije vesten voorbij, terwijl de kogels langs hun oren fluiten. Het is een bijna surrealistische ervaring, ver weg, in een andere wereld, zo lijkt het wel.

Het is onduidelijk wat er gaande is. Is de politie slaags geraakt met de drugsbende die de baas is in de favela? Doorgaans zie je ze overal staan, de ‘bewakers’ van de sloppenwijk, leden van de drugsgang. Naast de trappen die naar de favela leiden, jonge jongens, op slippers, met pistolen achteloos in hun korte broeken gestoken. Op de uitkijk voor de politie.

De kranten in Rio schrijven wekelijks over de vuurgevechten in de sloppenwijken. En bijna altijd heeft het iets abstracts en onpersoonlijks. Pas als de schietpartijen het asfalt, zoals de reguliere woonwijken worden genoemd, bereiken, krijgen de kranten meer aandacht voor het persoonlijke. Dan kan je lezen hoe angstig de bewoners in de nabij gelegen middenklassewijken waren als gevolg van de aanhoudende confrontaties.

Doden vallen er regelmatig. Maar de slachtoffers zijn bijna altijd anonieme mensen uit de sloppenwijken. Meestal zijn het leden van de bendes, soms ook onschuldige inwoners, verzeild geraakt in het vuurgevecht, getroffen door verdwaalde kogels, die omkomen. In de favelas is de terugkerende straatoorlog onderdeel van het dagelijkse leven. In de deelstaat Rio de Janeiro kwamen de afgelopen 28 maanden 17.000 mensen om het leven door geweld.

De hal van de peuteropvang is ook het kantoor van Regina Araújo, coördinatrice van de organisatie. Zij zegt: „Veel kinderen die hier komen, zijn getraumatiseerd. Ze begrijpen het schieten niet, maar ze zijn wel bang. Sommige hebben zo hun vaders verloren. De laatste keer dat hier voor het gebouw een vuurgevecht plaatshad, duurde het de hele dag. Niemand kon naar buiten.”

Last van de drugsbendes, buiten de schietpartijen om, heeft het opvangcentrum verder niet. Araújo zegt: „Ze vallen ons nooit lastig, bemoeien zich niet met ons en wij accepteren geen hulp van ze. Er zitten hier ook kinderen van leden van de bende. Dat is al reden genoeg om ons met rust te laten.”

Het kan ook anders. Vorige week nog viel de politie binnen bij een crèche in een andere, nabijgelegen favela. Opbrengst: driehonderd kilo marihuana, verborgen in de crèche. Het was een riskante operatie die overdag plaatshad. Toen ze binnenvielen, waren de kinderen gewoon aanwezig.

Maar, zo zegt Araújo, dat zal hier niet gebeuren. Ondertussen proberen haar collega’s de aanwezige kinderen in het huis gerust te stellen, terwijl buiten het schieten gewoon doorgaat. In de villa zijn circa honderdvijftig kinderen, die worden verzorgd door zeventien mensen, van wie er vier verantwoordelijk zijn voor het eten.

Na de lunch is het eigenlijk tijd voor een dutje voor de kleintjes tot twee, drie jaar oud. Maar het lawaai van de ratelende automatische wapens op straat houdt hen wakker. Dus vragen de vrouwen maar wat de kinderen horen. Vogels, de wind? Nee, dat horen ze niet. Vuurwerk, ja, dat horen ze. Klopt, zeggen de vrouwen, het is vuurwerk. En de kindjes beginnen enthousiast de handen te klappen. Jippie, vuurwerk.

    • Philip de Wit