Mohammed wilde wel komen, maar dan een kwartiertje later graag

Wie staat er voor de rechter en waarom? De jongen wil weinig, de hulpverlener blijft optimistisch.

Een kaal hoofd, een oranje-rode snor, een sikje in dezelfde kleur en een leren giletje. Hij wacht en trommelt ongeduldig met zijn vingers op tafel. Zijn zilveren schakelarmband tokkelt mee. De verdachte komt van beneden, uit de cel onder de Amsterdamse rechtbank. Mohammed, heet hij, en hij ziet er jonger uit dan de negentien jaar die hij is.

De relatie tussen de jonge Marokkaan en de man met het sikje wordt al snel duidelijk. De man veert op zodra hij Mohammed ziet, vraagt hoe het met hem gaat. De jongen kijkt hem nauwelijks aan, mompelt iets en gaat zitten. Het is een hulpverleningsrelatie.

Mohammed is afgelopen zondag om vijf uur ’s ochtends van huis gehaald door de politie en in de cel gezet. Hij dacht dat het was vanwege zijn openstaande boetes, maar het was, bleek later, voor een openstaande taakstraf van tachtig uur en een leerstraf van zestig uur.

Twee keer niet komen opdagen bij de reclassering, zegt de rechter. Ja, dan komen ze je halen. En dan wordt de taakstraf omgezet in een gevangenisstraf. Twee uur werken is één dag zitten. Dat had Mohammed kunnen weten, na twee taakstraffen in 2005, twee in 2006 en nog eens een straf van 150 uur die hij niet heeft gewerkt, maar uitgezeten.

Hij wilde wel komen, zegt Mohammed. Maar de eerste afspraak miste hij, omdat hij zich had verslapen. Hij kwam uit de nachtdienst en was pas om vijf uur thuis.

Dat is inderdaad vervelend, zegt de officier van justitie. „Wat doet u voor werk?” Op de markt, zegt Mohammed. Hij moest die nacht een paar vrienden helpen met de inventarisatie van de spullen. Aha, zegt de officier. U had geen dienst, u heeft ’s nachts gewerkt.

En de tweede keer, toen was hij alleen te laat. De tram reed een halte te ver, hij moest teruglopen. Hij heeft meteen gebeld, om half negen, dat het een kwartiertje later zou worden. Half negen?, vraagt de officier. Ja, knikt Mohammed. Het kantoor, zegt ze vinnig, gaat pas om negen uur open.

De hulpverlener krijgt het woord. Zo jammer, zegt hij, dat het zo gelopen is. Zo vervelend. Mohammed was net weer op de goede weg. Hij was zo ver dat hij wel weer naar school wilde. Aha, zegt de rechter, u gaat niet naar school? Nee, zegt Mohammed, ik vond het maar niks. En wat zo’n domper is, gaat de hulpverlener verder, is dat Mohammed, doordat hij vastzat, zijn intakegesprek op het ROC heeft gemist. En nu moet hij weer wachten tot september tot hij kan instromen.

En wat voor school wil meneer doen, vraagt de rechter. Iets met ICT, zegt de hulpverlener. Hij wilde eerst iets anders, maar hij had de toelatingstoets niet goed gemaakt. Zo teleurstellend. Daarom waren we, zegt hij, juist zo opgetogen dat we hem nog ergens anders konden inschrijven. Aha, zegt de rechter, dus u heeft hem ingeschreven? De hulpverlener lijkt zich niks aan te trekken van de ondertoon in die vraag. Hij zegt: eindelijk weer samen ergens aan bouwen. En nu dit.

De officier van justitie vindt geen enkel argument dat ze heeft gehoord valabel of excusabel. Genoeg kansen gehad, vindt zij. Van haar mag Mohammed na zijn celstraf weer met frisse moed beginnen.

De rechter heeft even tijd nodig om na te denken. Zo vervelend, zegt de hulpverlener tegen Mohammed. „Wéér vijf minuten in de zenuwen zitten.” En, bemoedigend: „Het ging wel goed, hè.”

De rechter had die minuten nodig om zich over zijn lichte tegenzin heen te zetten, zegt hij als hij terugkomt.

Het is, zegt hij, dat Mohammed zijn andere taakstraffen wél naar behoren heeft uitgevoerd. En dat hij dit keer echt op het goede pad is, dat moet hij maar geloven. Nog één kans dan. Geen cel, wel de taakstaf doen. Stipt.