'Laat Plasterk zijn afspraak nakomen'

Directeur Gijsbers van het Openluchtmuseum wil het Nationaal Historisch Museum niet op een nieuwe locatie. „Of wil de minister alleen een mooi museum?”

Pieter-Matthijs Gijsbers (45), de nieuwe directeur van het Openluchtmuseum die begin april Jan Vaessen opvolgde. FOTO: GER LOEFFEN (Naamsvermelding verplicht) Loeffen, Ger

Het Nederlands Openluchtmuseum vindt dat het Nationaal Historisch Museum (NHM) direct naast het Openluchtmuseum moet komen.

Dit zegt Pieter-Matthijs Gijsbers (45), de nieuwe directeur van het Openluchtmuseum die begin april Jan Vaessen opvolgde. „De locatie voor het NHM naast het Openluchtmuseum is nog altijd de beste keus”, aldus Gijsbers. De directeur is verbaasd dat minister Plasterk (cultuur, PvdA) in het Kamerdebat van afgelopen woensdag aangaf dat de nieuwe locatie van het NHM bij de John Frostbrug aan de Rijn ‘een betere locatie is’ en dat daar „een mooier museum tot stand zal komen dan vijf kilometer verderop in de bossen”. „Wat was nou het oorspronkelijke uitgangspunt van de minister? Dat het NHM een ‘mooi’ museum moet worden? Of dat er een plek komt waar Nederlanders naar toe gaan om op een toegankelijke manier iets te leren over de geschiedenis?”

Gijsbers vindt dat Plasterk zich moet houden aan de oorspronkelijke doelstellingen voor het NHM zoals de minister deze heeft geformuleerd in de brief die hij op 2 juli 2007 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. „Daarin geeft Plasterk duidelijk aan dat de fysieke verbondenheid van het NHM met het Openluchtmuseum het NHM voordeel oplevert”, aldus Gijsbers. De directeur noemt het ‘zonde’ dat op dit moment alle plannen ten aanzien van het NHM zijn gewijzigd. „De Kamer moet zeggen: we houden ons aan wat we toen van de minister hebben gehoord. Dat is een museum naast het Openluchtmuseum. Dan volg je een consistente redeneerlijn.”

Juist de attractiewaarde van het Openluchtmuseum voor doelgroepen als het ‘onervaren’ museumpubliek en het onderwijs waren volgens Gijsbers destijds een belangrijke reden voor de minister om Arnhem te verkiezen boven Amsterdam en Den Haag. „Deze groepen, voor wie het NHM uiteindelijk is bedoeld, worden het beste bereikt als de twee musea naast elkaar komen te staan. Daar ben ik als vakman van overtuigd. De hightech aanpak van directeuren Schilp en Byvanck in combinatie met de authenticiteit van het Openluchtmuseum kan Nederlanders op toegankelijke wijze kennis laten maken met de geschiedenis.” Gijsbers zegt dat hij tot eind maart ervan uit is gegaan dat het nieuwe museum naast het Openluchtmuseum zou worden gebouwd. „Toen kreeg Adelheid Ponsioen, de zakelijk directeur van het Openluchtmuseum, pas te horen dat de plannen waren gewijzigd.”

Volgens de directeur werd afgelopen woensdag in de Tweede Kamer in het spoeddebat over het NHM door minister Plasterk de suggestie gewekt dat er al sprake zou zijn van een concrete samenwerking tussen de directie van het NHM en de directie van het Nederlands Openluchtmuseum. „Dat is niet het geval.”

Volgens Gijsbers heeft op 15 april een eerste gesprek plaatsgevonden tussen de directies van het NHM en het Openluchtmuseum. „We hebben toen de intentie uitgesproken om de mogelijkheden tot samenwerking te onderzoeken. Maar van concrete inhoudelijke plannen is nog geen sprake geweest.” Het is volgens Gijsbers de vraag of het NHM en het Openluchtmuseum elkaar goed kunnen aanvullen als beide musea op een afstand van 4,5 kilometer van elkaar komen te liggen. „Misschien ontstaat er nu juist wel concurrentie.”

Of de directie van het NHM zich, afgezien van de oude locatie, ook moet houden aan de canon als leidraad voor het nieuwe museum acht Gijsbers van minder groot belang. „De overheid moet meer vertrouwen hebben in de museumsector. Ze moet zich niet bemoeien met de invulling van het NHM, wel met de vestigingsplaats.”

    • Rosan Hollak