Kaas- en boterkoeien

Door koeien genetisch te selecteren kunnen we in Nederland koeien fokken die gezonde melk leveren of melk die geschikt is om kaas van te maken. Jop de Vrieze

Koe in het Franse Picardië. (Foto Ap) France, Picardie, Aisne, Thiérache region, frisian cow. Photononstop

Ooit was een veeboer gewoon een veeboer, en was melk gewoon melk. Variatie in melkkwaliteit trad wel op door het jaar heen, maar voor een melkveehouder was zijn taak duidelijk: melk leveren met zoveel mogelijk vet en eiwit. Dat uitgangspunt is niet meer van deze tijd, vindt hoogleraar fokkerij en genetica Johan van Arendonk. Hij voorspelt dat binnen een paar jaar kaaskoeien, boterkoeien en gezondheidskoeien de Nederlandse stallen en weides bevolken. “Elk zuivelproduct stelt andere eisen aan melk: kaasmelk moet veel van het eiwit caseïne bevatten, gezondheidsmelk veel cholesterolverlagende onverzadigde vetzuren en voor boter geldt juist een minimum aan verzadigd vet.”

Van Arendonk leidt het Milk Genomics Initiatief, een project van Wageningen Universiteit, de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO) en fokkerijorganisatie Coöperatieve Rundveeverbetering (CRV). Vijf jaar geleden begon het onderzoek aan de genen van 2000 zwartbonte Holstein Friesian melkkoeien en afgelopen maanden kwamen de eerste resultaten naar buiten.

Het meeste onderzoek deden de Wageningers aan vetzuursamenstelling van melk. Voedsel en leefomgeving spelen daarbij een rol, maar hoe groot is de genetische invloed? “Bijna vijftig procent”, zegt Anke Schennink, die op 29 april in Wageningen promoveerde. “Grofweg komt het erop neer dat de koe de ene helft van de benodigde vetzuren onveranderd uit haar voedsel haalt, en de andere helft bewerkt tot nieuwe vetzuren – die helft is dus genetisch bepaald.”

VETPERCENTAGE

Schennink ontdekte meerdere genen die de vetzuursamenstelling beïnvloeden. De twee belangrijkste zijn DGAT1 en SCD1. Als het gen DGAT1 actief is, geeft de koe melk met een hoger vetpercentage én meer verzadigd vet. SCD1 beïnvloedt de verhouding verzadigde en onverzadigde vetzuren.

Schenninks collegapromovendus Jeroen Heck keek vooral naar eiwitten in melk, waarvan caseïnes 78% uitmaken. Caseïnes zijn de eiwitten waarvan kaas wordt gemaakt. Heck: “De helft van alle Nederlandse melk belandt uiteindelijk in kaas. Een verhoging van het caseïnegehalte met 2% betekent een verhoging van de nationale kaasproductie met 250.000 kilo en daarmee 25 miljoen euro meer inkomsten voor de boeren per jaar.”

Bij de eiwitsamenstelling blijkt de genetica nog een stuk bepalender dan bij vetzuren, namelijk voor ruim viervijfde. De Wageningers spoorden een paar mutaties op die de eiwitsamenstelling van melk bepalen.

De resultaten van het Milk Genomics Initiatief zijn bedoeld voor fokkerijprogramma’s. “We gaan niets manipuleren”, benadrukt hoogleraar Van Arendonk. “Alle koeientypen die uit de programma’s zullen voortkomen lopen nu ook al rond, alleen wordt nu hun melk niet apart gehouden. Door telkens de beste stieren te selecteren, worden de genen van hun nakomelingen steeds gunstiger.” Nieuw-Zeelandse onderzoekers maakten in 2003 een genetisch gemodificeerde koe met twintig procent meer caseïne. In Nederland ligt genetische modificatie een stuk gevoeliger.

NAKOMELINGEN

Fokkers zijn alleen geïnteresseerd in stieren, omdat die vele nakomelingen krijgen en koeien maar maximaal een per jaar. Het duurt nu ruim vijf jaar voor de genetische aanleg van een stier kan worden bepaald, omdat die kwaliteit pas blijkt uit prestaties van zijn nakomelingen. Straks kunnen fokkers de aanleg van een jonge stier direct aflezen uit zijn DNA-profiel. Dat scheelt al gauw tegen de dertigduizend euro per stier. Afgelopen maand werd in de VS de DNA-volgorde van de koe ontrafeld. Pas als het bepalen van DNA-volgorden een stuk goedkoper is geworden, zal het ook lonen om de aanleg van koeien te bepalen.

Fokken gaat erg langzaam. Gunstige voeding lijkt daardoor voor boeren een veel aantrekkelijker beïnvloedingsmechanisme. “Dat is kortetermijndenken”, zegt Schennink. “Voer kost steeds weer geld, terwijl fokken een investering is. Bovendien heeft het voer op de eiwitsamenstelling nauwelijks invloed en vullen de effecten van voer en genetica elkaar wat betreft de vetzuursamenstelling aan.”

PINDAKAAS

Kunnen we dankzij dit soort fokprogramma’s kaas en melk straks weer opnemen in de schijf van vijf, waaruit die werden geschrapt vanwege een een te hoog gehalte verzadigd vet? De onderzoekers denken van niet. Heck, inmiddels werkzaam bij zuivelcoöperatie FrieslandCampina: “Melk moet wel melk blijven, en dus moet er vet in, en daarvan minstens de helft verzadigd vet. Het zal geen pindakaas worden.” Dat bevat veel onverzadigd vet.

Van Arendonk verwacht door steeds de tien procent gunstigste stieren te nemen, in tien jaar tijd het percentage onverzadigde vetten met dertig procent te verhogen. Er is op dit moment al gezondere ‘Merkmelk’ op de markt, van koeien die lijnzaad eten en daardoor melk leveren met een twintig procent hoger aandeel onverzadigde vetten. Als je dat kan combineren met een gunstige genetische opmaak, dan heb je een win-win situation”.

In de komende jaren zullen de Wageningse onderzoekers de overige twintig procent van het melkeiwit onder de loep gaan nemen. Ook krijgt de smaakkwaliteit verhouding meer aandacht. Nu weten de onderzoekers nog niet goed hoe de smaak varieert tussen verschillende koeien – alle melk wordt immers in één ton gegooid. “De smaak mag natuurlijk niet lijden onder de veranderingen”, benadrukt Van Arendonk.

Hij ziet een mooi systeem voor zich, waarbij kaaskoeien in regio’s rond kaasfabrieken grazen en boterkoeien vlakbij boterproducenten, en de boer beloond wordt op basis van vetzuur- en eiwitsamenstelling. Dat kan ook fout lopen, beseft hij. “Alle betrokkenen moeten baat hebben bij het nieuwe systeem, en de specialisatie moet niet leiden tot ongelijkheid. Want anders hebben we straks misschien alleen nog maar kaasboeren.”

    • Jop de Vrieze