'Ik bleef zijn ondergeschikte'

Wolfert Jumelet (1977) werkte op het schip van zijn vader. Nu doet hij in houtskeletwoningen. „Ik wist al op mijn achtste dat het de zee zou worden.”

Wolfert Jumelet (1977), ondernemer

‘Elk kind in Zeeland krijgt te horen: de haven is gevaarlijk, daar ga jij niet heen. Dat heeft met een collectief trauma te maken, denk ik – we hebben de Watersnoodramp gehad, en ongelukken kunnen altijd gebeuren. Maar wat niet mag, wordt des te aantrekkelijker, natuurlijk. Ik wist al op mijn achtste dat het de zee zou worden.

„Mijn vader was visser. Van maandag tot en met vrijdag was hij van huis. Hij voer met een compagnon die in Noordzeevisserij gespecialiseerd was; mijn vader is mosselvisser. Door dat vaste ritme wisten mijn moeder, mijn zus en ik precies waar we aan toe waren. Mijn moeder voedde ons op, mijn vader werd in het weekend bijgepraat. Als hij hoorde dat we mijn moeder een loer gedraaid hadden, zwaaide er wat. Verder liet hij het aan haar over. In het huishouden deed hij niets. Zo was de tijdgeest.

„Vanaf mijn tiende mocht ik in de schoolvakanties met mijn vader mee, het water op. Machtig was dat. We sliepen in kooien. Voor de maandag maakte mijn moeder een pan nasi klaar, de rest van de week zorgde een knecht voor het eten. Je bleef vaak tot middernacht op, want aan boord gaat het werk altijd door. De mannen dronken en rookten. Ik niet: mijn vader had mijn zus en mij duizend gulden beloofd als we tot ons achttiende van de sigaretten af zouden blijven. Zelf kreeg hij als kind nog gewoon een zakje shag toegestopt als hij met zijn vader meeging. Hij is ook visserszoon.

„Als ik na zo’n week weer thuiskwam, vertelde ik niet veel. Mijn moeder moest het er uittrekken. Het was leuk, zei ik dan. Mijn vader viel ons ook nooit lastig met verhalen over de vangst of over het weer. Dat zwijgzame zit in onze genen.

„Na de lagere school wilde ik meteen naar het Scheepvaart en Transport College in Rotterdam. Mijn moeder aarzelde, want dan zou ik naar het internaat moeten. Toen heb ik in Zierikzee de LTS richting metaal gedaan, en daarna de binnenvaartopleiding. Op mijn zeventiende kon ik aan het werk. Ik ben eerst anderhalf jaar matroos geweest op een binnenvaarttanker, want mijn vader vond dat ik onder een andere baas moest leren wat werken is. Daarna kwam ik bij hem in het bedrijf.

„In de tien jaar dat ik met mijn vader gewerkt heb, bleef ik zijn ondergeschikte. Dat heeft met mijn respect voor hem te maken. Mijn vader is een vakman pur sang. Hij doet zijn werk ontspannen, zoals je alleen ziet bij mensen die iets echt goed kunnen. Maar gaandeweg zag ik ook het vak veranderen. De sport verdween, in plaats daarvan kwamen er steeds meer beperkingen, steeds meer regels. Daar zaten milieubeschermers achter. Hun conflict met de vissers loopt nog steeds.

„In 2006 heb ik gezegd: jongens, ik moet nog minstens dertig jaar werken, en ik zie geen perspectief meer.” Ik was zes jaar getrouwd, en had al twee kleine kindjes thuis. Ik wilde het bedrijf verkopen. Mijn vader accepteerde mijn beslissing zonder veel woorden, en ging zelf met pensioen. De compagnon nam ons deel van het schip over. Ik zie het nu vaak werkeloos in de haven liggen. Dan weet ik dat ik het juiste gedaan heb. Mijn schoonvader was inmiddels aan het pionieren met de verkoop van houtskeletwoningen. Daar ben ik toen ingestapt, heel nuchter, puur van: dan verdien ik voortaan zo mijn boterham. Pas later kwam er een emotioneel proces op gang.”

Zijn huis met houten skelet doet tevens dienst als showmodel: alles blinkt, er is geen prop of kopje te zien. In de drie kinderkamers heerst dezelfde ostentatieve orde. Daan, de oudste, weet al waarom dat zo moet: er kunnen altijd potentiële klanten langskomen. Wolfert rijdt het bezoek terug over de Zeelandbrug. Het water zit in hem, zegt hij.

Dat blijft zo.

Suggestie voor een bijzondere foto met verhaal?Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss