'Gun me nog wat tijd'

Alexander Pechtold is de ongekroonde oppositieleider. Heeft de D66-voorman meer te bieden dan slimme oneliners en een goed gevoel voor publiciteit? ‘Het systeem is echt kapot, hoor, we staan aan de afgrond.’

‘Als ik iets heb, is het passie! Beetje flauw om Pechtold alleen maar in de hoek te zetten van het jachtige scoren’ beeld Daniëlle van Ark Ark, Daniëlle van

Tegen het eind van het laatste gesprek voor dit interview, thuis in Wageningen, staat Alexander Pechtold plotseling op en loopt door de woonkamer naar de ramen die uitzicht bieden op zijn tuin. Vier keer hebben we de afgelopen maanden met elkaar gesproken en altijd bleef hij in zijn rol: vrolijk, charmant, serieus als het moet, vilein grapje als het kan. Maar nu lijkt hij even stil te vallen.

Het gesprek ging over de zomer van 2006, het sluitstuk van een tumultueuze periode die vijftien maanden daarvoor was begonnen. Hij was burgemeester van Wageningen en D66-partijvoorzitter toen hij een telefoontje kreeg: of hij Thom de Graaf als minister voor Bestuurlijke Vernieuwing in het kabinet met CDA en VVD wilde opvolgen. Wat volgde was een politieke achtbaan: een weinig succesvol ministerschap, een harde kennismaking met de Haagse mores, een D66-fractie die het kabinet opblies, een – gewonnen – strijd om het partijleiderschap met Lousewies van der Laan, een verkiezingscampagne met dramatische peilingen voor D66.

Al die dingen lijken nu, lente 2009, in een flits aan hem voorbij te gaan. Alexander Pechtold staat in zijn woonkamer en kijkt zwijgend naar de trampoline voor de kinderen in de tuin. Hij wijst naar het zitje buiten, zegt dan ineens: „Dáár zat ik, in die zomer van 2006, vlak voor de verkiezingen.”

Hij zwijgt weer.

Wat gebeurde er dan, in dat zitje in de tuin?

De stilte duurt tien seconden. Dan zegt hij resoluut: „Ik zag het niet meer zitten. Ik zag geen uitweg meer.”

Waaruit?

„De partij bevond zich in comateuze toestand. Niemand gaf meer iets voor D66 en nog minder voor mij. Ik was de minst bekende lijsttrekker, Marco Pastors was bekender. Dat komt soms nog wel eens terug: als ik toen nee had gezegd tegen dat ministerschap, zat hier gewoon de burgemeester van Wageningen. Dat ging me ontzettend leuk en goed af. Nog steeds denk ik weleens: waar ben ik beland? Waar zit ik nou? Ook persoonlijk, we zijn hier thuis door eh..., door een diepzwart gat gegaan.”

Hoe bedoelt u?

„Nou, je hebt een kind van één en een kind van twee, je bent naar Den Haag gegaan, je sleept je partner daarin mee, je komt terecht in een kabinet dat niet het onze was en waar ikzelf al helemaal niet in paste en vijftien maanden later ben je lijsttrekker van een partij die op nul zetels staat.”

Was het een verkeerde keuze?

„Ja.”

Hij herstelt zich snel: „Nou ben ik ook weer niet iemand die mekkert over ‘had ik maar dit of dat gedaan’. Maar na tien jaar zondagskind – op mijn dertigste wethouder, op mijn 37ste burgemeester, op mijn 39ste minister – kwam dit, beng, wel hard aan. Je dondert in één keer in elkaar.”

Had u het niet moeten doen?

„Nee, nee, ik blaak van energie! En het gaat geweldig met D66. Maar als ik zo terugdenk aan de afgelopen jaren, aan de hele tijd jezelf blijven enthousiasmeren... Nou ja, ik bedoel: ik moet mezelf wel blijven voorhouden: waarom heb ik die stap gedaan? Waarom was het zo belangrijk?”

Die laatste vraag was exact de reden voor dit interview. Begin dit jaar spraken we af om te kijken of we in een paar gesprekken, verspreid over een langere periode, hierop een antwoord konden vinden: wat hebben Alexander Pechtold en zijn D66 Nederland te bieden? En vooral: hoe?

Sinds dat moment in zijn achtertuin in 2006 is de D66-leider het levende bewijs van hoe snel zaken aan het Binnenhof kunnen kantelen. Werd hij drie jaar geleden door velen nog gezien als een parmantige, politieke strompelaar – met het weinig vleiende etiket ‘Kereltje Pechtold’– anno 2009 wordt hij, ondanks zijn drie zetels in de Tweede Kamer, geroemd als dé oppositieleider. Onlangs won hij nog de ‘Duidelijketaalprijs’ van de Vrije Universiteit en onder zijn leiding explodeert D66, zowel in de peilingen (stabiel op veertien zetels of meer) als in ledental (wekelijks honderd leden erbij).

Hij mag dan succesvol zijn, maar slaagt hij er ook in om van D66 meer te maken dan „een scheepje dat zo weer omwaait”, zoals voormalig leider Els Borst de partij ooit typeerde. Het is het wezenskenmerk van de Democraten: een sympathiek, redelijk alternatief waar je als kiezer gevaarloos op kunt stemmen, maar net zo gevaarloos weer afstand van neemt. Een partij die sinds haar oprichting rook aan de macht, deelnam aan kabinetten, maar iedere keer de electorale pin op de neus kreeg. Ooit met 24 zetels in de Kamer, momenteel met drie zetels op het laagste niveau ooit. Kan Pechtold zijn beweging van dat jojo-effect afhelpen? Wat is de inhoud van de gewiekst debater?

Hij heeft echt zin om deze vraag te beantwoorden, zegt hij tijdens het eerste gesprek, eind februari: „Voor mij is het ook goed om gedwongen te worden: maak het nou eens rond, wees consequent, doe eens de volgende stap.”

Maar makkelijk blijkt het niet.

Een paar weken later, op een druilerige woensdagmiddag, zit Alexander Pechtold voorover gebogen in zijn stoel op zijn werkkamer aan het Binnenhof. Hij tikt zachtjes de vingertoppen tegen elkaar en denkt na. De vraag was of hij het politieke systeem nog steeds „vuil en vunzig” vindt. Het is een kwalificatie van hemzelf, gedaan in een interview als net aangetreden minister. Hij glimlacht: „Dat was een te openhartige Alex in Wonderland. Te makkelijk ook, te plat. En ik kreeg er enorm gedonder mee. Maar achteraf heeft het gedoe rond die uitspraak me wel getekend. Ik had die affaire nodig, voor mijn politieke vorming.”

Met als resultaat?

„Dat vuil en vunzig waren geen handige bewoordingen. De analyse had ook slimmer moeten zijn. En had hierop uit moeten komen: dat het politieke systeem niet met de tijd is meegegaan, dat het is uitgewoond. Dat is het probleem van dit land, de mensen hebben niet meer het gevoel dat Den Haag de plek is waar maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost. Dat was zo en is alleen maar erger geworden.”

Dat roept D66 toch al sinds zijn oprichting?

„Mee eens. Maar het is nu wel héél erg. En ik vraag me af of iedereen zich dat wel genoeg realiseert, ook de politici zelf. Het systeem is echt kapot, hoor, we staan aan de afgrond. Er zijn zes partijen die tussen de 15 en 25 zetels kunnen halen. Er valt straks niet meer op een normale manier een kabinet te formeren. Dat overzichtelijke van ‘kies voor Jan-Peter of Wouter’ is er niet meer. Links en rechts is weg. Zit de SP links van de PVV? Zit de PVV rechts van de VVD? Ik kwam laatst een jongen tegen uit een CDA-nest die zei: ik twijfel tussen u of Wilders. Dat is toch onvoorstelbaar, twee uitersten! Maar dat is de kiezer van vandaag: dagkoersgevoelig.”

En binnen dat systeem draait Pechtold gewoon mee.

„Dat is precies waar ik mee worstel. En daarom is het ook niet makkelijk voor D66 om die volgende stap te zetten. Ik wil graag het systeem bekritiseren om het te hervormen. D66 is er voor opgericht, maar nu word ik min of meer gedwongen binnen dat systeem te blijven functioneren.”

Hoe bedoelt u dat?

Hij staat op en loopt door de kamer: „Aan de ene kant heb je het kabinet, dat een stuitende visieloosheid heeft. Ze vergroten juist de afstand tussen burgers en politiek. Alle grote maatschappelijke vraagstukken schuiven ze voor zich uit. Door niet te kiezen. Door er niet echt een verhaal bij te hebben. Door alles achter hekken in slappe compromissen af te dealen. Door hautain af te wijzen om zelfs maar met de oppositie te praten. Door zich niet te willen realiseren dat ze maar een beperkt mandaat hebben: in tijden van crisis moet je vooruit durven kijken en met je tegenstanders praten.”

Hij windt zich op: „Daar sta ik dan, met m’n D66. Wat moet ik doen? Er tegenaan trappen? Lijkt me niet zo handig, want ik voel iets in m’n nek: Wilders!”

U bedoelt: er is al iemand die er tegenaan trapt?

„Precies. Wilders-de-schreeuwlelijk. Visieloosheid versus het gekrijs. Wat moet ik doen? Het systeem verdedigen dat ik zelf eigenlijk wil veranderen, maar waar Geert Wilders net een lont in het kruitvat heeft aangestoken?”

Hij zakt terug in zijn stoel: „Zo makkelijk is de situatie niet, hoor. Het gaat allemaal veel verder dan het enkele belang van D66 of Pechtold. Er is wel wat meer aan de hand in dit land.”

Denkt u dat het te groot is om te hanteren door het huidige politieke bestel?

„Ja, dat denk ik, ja. De val van paars heeft alles wat in Nederland overzichtelijk leek, doen versplinteren. De politieke partijen, de omroep, onze rol in Europa, er is werkelijk niets dat niet is omgekeerd. In combinatie met de gebeurtenissen in de wereld, zoals de terreur en de bankencrisis, is er een soort in onszelfgekeerdheid ontstaan, angst voor nieuwe ontwikkelingen. Het besef te leren van het verleden lijkt weg, maar ook het vermogen om verder dan vandaag te plannen. Politieke en maatschappelijke debatten zijn kort lopende processen geworden. Of het nou om een vermeende aanslag op de IKEA in Amsterdam-Zuidoost gaat of een beetje domme burgemeester van Utrecht: niets wordt meer breder getrokken, alles is een hype. Nederland tolerant, polderland, vrij land: het staat allemaal op z’n kop, er worden vraagtekens gezet bij de dingen die ooit elementair waren. De nieuwe koers is extremisme, dat laten we toch niet gebeuren?”

Waarom heeft de politiek er geen antwoord op?

„Ik weet het ook niet. Ik snap werkelijk de angst niet van veel politieke partijen, maar ook van de media, om gewoon openlijk te analyseren waar Wilders mee bezig is. Dat het altijd begint en eindigt met de islam, gelardeerd met wat wittewoede-thema’s. Maar dat hij dat nooit goed uitwerkt, dat hij nooit echt het debat durft aan te gaan en dat hij altijd wegloopt als het te heet wordt. Het gevaar is dat die stilte op een gegeven moment een autonoom proces wordt. Dat we met elkaar zo murw worden door die Wilders, dat we de lat van alertheid en verontwaardiging steeds verleggen.”

Vindt u dat dat nu al het geval is?

„Het komt behoorlijk in de buurt. Als Wilders op dag één zegt dat hij wel premier wil worden, dan zeggen CDA en VVD op dag twee dat ze de PVV niet uitsluiten in een regering. Als het al zo ver gekomen is, dat die partijen zo snel zo’n moment aangrijpen om zoiets te zeggen, dan is het toch echt wel tijd om daar een vrijzinnig alternatief tegenover te zetten.”

Blijft de vraag: hoe dan? En, fundamenteler, is Pechtold de juiste persoon om zo’n alternatief te lanceren? De D66-leider mag zich graag als Haags buitenbeentje profileren, ondertussen weet hij als geen ander het spel aan het Binnenhof mee te spelen. Feilloos voelt hij aan welk publiek hij op welk moment bedient. Als de camera van Geen Stijl in de wandelgangen van de Tweede Kamer politici over hun eigen omroep Powned ondervraagt, schakelt Pechtold moeiteloos over op de humor van de tegenpartij. Guitig roept hij in de microfoon: „Weet je wat ik hoop? Dat jullie die 50.000 leden net niet gaan halen”. Maar net zo makkelijk houdt hij een doorwrochte lezing over de toekomst van de AOW of bedenkt hij in de Kamer een veel geciteerde oneliner (tegen PvdA-fractieleider Hamer tijdens het recente JSF-debat: „Ik zou het bonnetje maar bewaren”). Met andere woorden: Alexander Pechtold haalt zijn succes juist in de Haagse arena. Of zoals hij zelf lachend „mijn paradox” omschrijft: „In het door mij verfoeide oude systeem mijn machtsbasis zo groot mogelijk maken.”

„Denk niet dat ik overal blind naar toe ren”, vertelde hij enkele dagen nadat het kabinet het aangepaste coalitieakkoord had gepresenteerd. Met een blik op zijn voorlichter: „We houden meer af dan we aannemen, toch? Mijn agenda zou vier keer overboekt kunnen zijn.” Hij vertelt over de groeiende partijorganisatie. Reist zich naar eigen zeggen suf. Politiek café hier, forumpje daar. Ontmoet enorm veel leden uit het land: „Vanochtend nog, een delegatie uit Alkmaar. Even bijpraten, klein uurtje, hopperdepop, weg weer.”

Die week is hij, met de leiders van drie andere oppositiepartijen, te gast bij Pauw & Witteman. Hij is rustiger dan anders, lijkt vooral bedachtzaam over te willen komen. Hij pocht na afloop: „Miljoen kijkers. Toch mooi. En we hadden met z’n vieren meer visie dan dat hele kabinet bij elkaar.”

U was anders dan anders.

Gedecideerd: „Ja.”

Niet zo gehaaid, wat minder pedant.

„Hmm, dat zijn uw woorden.”

Maar zijn ze waar?

Hij lacht: „Ja.”

Waarom?

„Omdat ik ernstig de behoefte had niet voorspelbaar te zijn. Ik kan daar wel weer met windkracht 12 naast Agnes Kant gaan zitten, maar ik dacht: dat ga ik nu eens niet doen. Zo’n lange uitzending leent zich er voor om punten op de inhoud te maken. Dat verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 niet in één klap gebeurt. Dat beperking van de hypotheekrenteaftrek geleidelijk gaat. Ik wil heus niet alleen maar scoren, alleen maar te horen krijgen: goh, wat was je lekker fel. Ik kreeg nu complimenten op de inhoud. Dat is ook af en toe nodig.”

Af en toe?

„Ja, hoor ’es, politiek is strategie. Wat wil je dan?”

Passie?

„Oh, oh, oh, nu begrijpt u me helemaal verkeerd. Als ik iets heb, is het passie! Beetje flauw om Pechtold alleen maar in de hoek te zetten van het jachtige scoren.”

U weet het politieke spel goed te spelen...

Onderbreekt: „Ik heb een ontzettende hekel aan die term: het spel.”

Het is toch zo?

„‘Spel’ klinkt zo denigrerend. En dat is het niet. Ik maak optimaal gebruik van de democratie. Vergeet niet: D66 was gemarginaliseerd na de verkiezingen. Ik moest echt alles op alles zetten en ja, dan pak je de schepen die langskomen. Als dat allerlei Irak-nieuwtjes zijn die ik iedere keer weer moet opblazen, prima! Maar die commissie-Davids [die in november zal rapporteren over de Nederlandse steun aan de Irak oorlog, red.] is er wel gekomen. En ik ben met m’n drie zetels wel de eerste geweest die structureel probeert Wilders aan te pakken. En het is ons ook gelukt om doorwerken tot 67 jaar tot dé discussie van dit moment te krijgen.”

Hij kijkt even zoals hij kijkt als hij in de Kamer een gevatte interruptie heeft gepleegd, guitig: „Niet slecht toch?”

Irriteert het u als u het verwijt krijgt van parmantigheid of effectbejag?

„Uit de hoek van columnisten en cabaretiers zeker? Ze doen maar. Het is hun taak en we hebben het hard nodig”. Hij grinnikt: „Ik zeker.”

Vraag blijft: wat doet D66 meer dan een succesvolle oppositiepartij zijn? Wat heeft Pechtold méér te bieden?

„Ik voer geen oppositie om het oppositie voeren. Ik wil wel ergens komen. Ik heb geïnvesteerd in kernbegrippen: vrijzinnigheid, onderwijs en kenniseconomie, het individu, Europa. Daartegenover: je afzetten tegen populisme, tegen moralisme. En we zijn er succesvol mee. Maar het is waar: hoe succesvoller je wordt, hoe groter de urgentie om met een alternatief te komen.”

Maar lukt dat?

„Ik voer oppositie naast het kabinet, ik wil die CDA-achterban laten zien dat deze stilstand gevaarlijk is. Die PvdA-achterban wil ik laten zien dat hun partij helemaal niets met kennis en onderwijs doet, dat er een gevaarlijk gebrek aan duurzaam denken is. De eerste optie moet zijn dit kabinet tot daden te brengen.”

Waarom eigenlijk?

Verbaasd: „Waarom?”

De eerste optie voor een politieke partij is toch steun te vinden voor eigen standpunten?

Hij is lang stil. Zegt dan: „Dat is wel een goeie.”

Hij laat weer een stilte vallen. Draait op zijn stoel: „Weet je, misschien tref je me op een moment dat ik het ook niet meer helemaal weet. De arbeidsmarkt, de woningmarkt, het onderwijs, duurzaamheid: bij dit alles heeft dit kabinet nog geen fundamenteel begin gemaakt. Dus dat praatje van mij van daarnet, dat ik oppositie voer naast dit kabinet, dat is eigenlijk... hoe zal ik het zeggen...tja, laat ik maar eens eerlijk zijn: ik weet niet of ik dat nog wel vind. Misschien moet ik meer zelf initiatief nemen.”

Twee weken later, opnieuw op zijn werkkamer: „Dat initiatief, dat moet met meerderen. In z’n eentje kan D66 niet het alternatief zijn. We moeten met een aantal partijen de kiezers een beeld durven schetsen van een overheid die de mensen verantwoorde oplossingen biedt. Een overheid ook die eerlijk zegt dat ze zaken als veiligheid, welvaart of geluk niet kan garanderen, die realisme uitstraalt. Maar die spijkerhard het debat aangaat met de bangmakers aan de andere kant. De komende twee jaar zal de noodzaak boven water komen om kleur te bekennen. Om de kiezer te zeggen: hier staan we en dit is onze agenda. Dit zijn onze waarden: vrijzinnigheid en tolerantie. En immigratie-doembeelden, veiligheidsmaakbaarheid, grenzen dicht, dat zijn wereldbeelden waar ik niets mee heb.”

Hoe ziet u dat concreet voor zich?

„Het moet een tijd worden van harde toezeggingen op deelonderwerpen, van uitsluitingen van andere partijen, een stevige toonzetting.”

Maar hoe dan, een soort Alliantie, een Front?

„Zou kunnen. Eerst maar eens samenwerken met geestverwante politieke bewegingen. Kijken of ze het aandurven. Je moet ergens beginnen.”

Waarom zou u de andere partijen meekrijgen?

„Omdat ze wel moeten, want het systeem is bezig zichzelf op te blazen. Nederland heeft zó veel taboes. Een staatshoofd dat deel uitmaakt van de regering, die de informatie begeleidt, die hoofd is van de Raad van State, een orgaan dat rechtspreekt over zijn eigen adviezen. Een Eerste Kamer die Tweede Kamer loopt te spelen, een bestuurlijke elite die de burger vertelt dat een directeur van een woningcoöperatie een miljoen mag meekrijgen. Daar kotsen de mensen van. Daarom lopen ze in wanhoop achter de ideeën van Wilders aan! Het zijn geen stemmen vóór Wilders, het zijn stemmen tegen de rest.”

Terug naar het laatste gesprek, thuis in Wageningen. We maken de balans op. Is de doelstelling gelukt? Is duidelijk geworden wat D66 onder Alexander Pechtold méér brengt dan gewoon een succesvolle oppositiepartij? Hij nipt aan zijn koffie: „Die volgende stap, gun me ook de tijd om daar over te denken. De ontwikkelingen gaan zo snel, wie weet hoe het er over een paar maanden bijstaat. D66 was op sterven na dood, nu gaat het goed, maar ik heb geen 76 zetels. Ik wil ook mijn beperkingen kennen.”

Moet de conclusie niet zijn dat er straks, na verkiezingen, een gefragmenteerd politiek landschap is, waar D66 uiteindelijk als derde of vierde wiel bijkomt? En Pechtold weer op het pluche belandt?

„Aha, het aanschuifmodel! Juist dát wil ik voorkomen. Verschrikkelijk zou dat zijn. En de kans is gering. Hoewel ik jong ben, heb ik het allemaal al meegemaakt. Ik ben minister geweest, heb die ambitie niet meer. I’ve been there, done it and got the T-shirt. Ik blijf in de Tweede Kamer.”

Maar de partij? De historie leert dat ze uiteindelijk zwicht voor de macht?

„Die vraag is terecht, maar waarom wordt die altijd aan ons gesteld?”

Omdat D66 dat, door haar opstelling, bijvoorbeeld met de kritiek op het systeem, over zich afroept.

„Die argwaan begrijp ik. Maar weet je wat nog erger is? Dat er straks na een informatie van zes maanden nog steeds geen kabinet is en dat NRC Handelsblad en de Volkskrant in hun commentaren gaan schrijven: Kom op D66, neem je verantwoordelijkheid. Er is een miljard voor onderwijs toegezegd en een onderzoek naar de bestuurslagen, dus schuif maar aan bij CDA, VVD en PvdA. Ja, ja, leer mij die dynamiek kennen.”

En daar kan D66 dan geen weerstand tegen bieden?

„Ik hoop het wel. Maar deze situatie voorkomen, motiveert me nog het allermeest. En ik weet zeker dat dat vooral kan met het geven van duidelijkheid aan de mensen, dat ze weten waar ze voor kiezen en dat je op een aantal punten ook zegt: daar ga ik nooit mee marchanderen.”

En welke punten zijn dat?

„Ha, ik hou ook een beetje mijn kaarten tegen de borst, hè. We gaan niet weer de fouten uit het verleden maken. Wij ons kwetsbaar opstellen, terwijl de anderen hun goddelijke eigen gang gaan en wij het slachtoffer worden. Wij de ambities formuleren en de rest laat het bij het oude. Dat heb ik wel geleerd: niemand komt het D66 brengen. ”

Hij staat weer op van zijn stoel. IJsbeert door de kamer: „Maar toch, er moet iets gezamenlijks komen. Dat de mensen zien: zo kan het ook. Voorbij het cynisme en de angst. Ik hoef niet alle macht, maar wil wel de katalysator zijn. En het kan wel. Kijk naar Obama. En weet je wat het mooie is: in Obama zit ook heel duidelijk: het wordt niet allemaal voor u gedaan, het begint bij u zelf. Oh, wat hoop ik dat we in Nederland ooit zo ver komen. Als dát gebeurt, man, als dat gebeurt: dan gaat Wilders voor de bijl. Dan valt-ie door de mand.”

Strijdvaardig: „Ik ga hem ermee helpen. En als-ie valt, dan sta ik klaar.”