Goddelijke wellust

Het nieuws van nu lijkt op het nieuws van toen.

EO-Arie mag niet naakt poseren. Godsdienst en geilheid hebben elkaar nooit verdragen.

Knaapen, Marike

God is liefde. De directie van de Evangelische Omroep heeft met de hand over het hart gestreken en drie weken eerder dan afgesproken de schorsing opgeheven van Arie Boomsma, de gereformeerde tv-presentator die zo graag voor geile foto’s poseert. De directie had Boomsma op 3 maart voor drie maanden geschorst omdat hij voor een homonummer van tijdschrift Linda had geposeerd. Op de cover van deze L’Homo legt de presentator zijn armen in de nek zodat zijn borstkas extra opbolt. ‘En God schiep Arie’ staat er bij.

Zou Boomsma, misschien overmoedig geworden door het succes van zijn EO-programma Veertig dagen zonder seks, gestraft zijn voor zijn ijdelheid? Een van de zeven hoofdzonden tenslotte. Maar in dat geval had de EO nog wel even kunnen doorgaan met het schorsen van presentatoren.

In de verklaring die de omroep deed uitgaan bij Boomsma’s schorsing werd niet expliciet verwezen naar de homoseksuele context waarin de presentator zijn borstkas, zijn biceps en zijn weggetrainde buik had getoond. Arie zelf is naar eigen zeggen geen homoseksueel. Bij Pauw en Witteman verklaarde hij deze week dat hij zes à zeven keer per jaar poseert voor fotoreportages. De EO-directie schreef op 3 maart dat het „niet past bij de EO dat onze medewerkers opzettelijk schaars gekleed in welk blad dan ook poseren”.

Het gaat dus vooral om de geilheid van zijn poses.

Nou staan in de Bijbel allerlei vermaningen over ijdelheid, dronkenschap, luiheid, onanie, sodomie en over echtbreken, maar voor zover ik weet niks over, of liever tegen, lust in het algemeen. En toch hebben godsdienst en geilheid elkaar nooit goed verdragen. Dus moeten de gelovigen alle dingen die ze voor zichzelf verboden hebben, heimelijk praktiseren. Arie mag thuis de hele dag schaars gekleed rondlopen, maar niet opzettelijk half naakt poseren.

Rond het jaar 1100 arriveerde een jonge student in Parijs, Peter Abélard. Hij bleek al gauw een briljante debater die zijn leraren in de theologie en filosofie voortdurend de hoek in discussieerde. Het succes steeg hem zo naar het hoofd dat hij zichzelf begon te zien als „de enige filosoof op aarde, voor niemand bang en dus gaf ik mezelf over aan vleselijke lusten”. Dit schreef hij zelf in een brief aan een vriend, waarin hij zijn hele levensverhaal samenvatte als een historia calamitatum – een geschiedenis van rampen.

Abélards rampspoed begon naar eigen zeggen toen hij besloot de jonge en intelligente Héloise in zijn bed te krijgen. „Ik was jong, uitzonderlijk mooi om te zien en had mijn reputatie als wapen”, schrijft hij – dat zou Arie hem zo kunnen nazeggen.

Abélard meldt zich als leraar bij de oom van Héloise. De oom zwaait de deur wagenwijd open. De jonge theoloog krijgt de complete opvoeding van het meisje toevertrouwd, inclusief het recht om haar te straffen als ze ongehoorzaam of lui was. „Als hij een zacht lammetje had toevertrouwd aan een verscheurende wolf, had ik niet verbaasder kunnen zijn”, schrijft Abélard.

Al gauw vallen leraar en leerling elkaar in de armen. „Met onze boeken opengeslagen voor ons, gingen meer woorden van liefde dan van geleerdheid over en weer, meer kussen dan lessen. Mijn handen dwaalden vaker naar haar borsten dan naar de bladzijden.”

Het is mooi om te lezen – en gemakkelijk: de brieven van Abélard en Héloise zijn in alle talen vertaald en uitgegeven – hoe de monnik die Abélard aan het eind van zijn leven is geworden, schrijft over de wellust die hij in zijn jeugd voelde en vierde: „Wij lieten geen enkele manier van de liefde bedrijven onbeproefd.”

Omdat het allemaal geheim moest blijven, sloeg Abélard zijn leerling af en toe, om de ware natuur van hun verhouding te verhullen. Toch is die uiteindelijk ontdekt. Héloise werd zwanger en haar godvruchtige oom nam wraak op haar minnaar: een dienaar sneed op een nacht de pik en de ballen, of misschien alleen de ballen van Abélard af.

Denk niet dat ze in de Middeleeuwen iets tegen seks hadden. Dat had alleen de kerk. En de schijnheiligheid van dat standpunt was ook voor de middeleeuwers zonneklaar. In jolige verzen en liederen uit diezelfde tijd maakten reizende zangers (jongleurs) de kerkelijke moraal belachelijk, getuige titels als ‘De bisschop die de kut zegende’ en ‘De gekruisigde priester’. De geestelijke in dat laatste lied neemt de vrouw van een timmerman en verstopt zich tussen de houten crucifixen als de echtgenoot onverwachts thuiskomt. Maar die heeft de overspelige gezien, loopt zijn atelier in en zegt hardop dat hij die ene Jezus kennelijk iets te onkuis heeft afgebeeld. Vrouw, zegt hij, licht me even bij, terwijl ik dit beeld kuis. „De priester durft zich niet te roeren, hoor wat de meester gaat volvoeren; hij snijdt hem lul en kloten af.”

Arie Boomsma mag blij zijn dat de tijden zijn veranderd. Maar dat maakt zijn deemoedige acceptatie van de straf des te opvallender. Waar was hij bang voor? Dat hij met het mes zou worden gekuist?