Creatief met kogels

Granaathulzen bewerkt met art deco-motieven en kruisjes van kogels zijn studieobjecten van conflictarcheoloog Nick Saunders. Theo Toebosch

Nick Saunders (1953) is sinds september 2007 verbonden aan Bristol University. Daarvoor was hij docent Materiële cultuur bij het Department of Anthropology van University College London. Zijn laatst verschenen boek is ‘Killing Time, archaeology and the First World War’ (2007). Naast de archeologie van de Eerste Wereldoorlog en andere conflicten houdt hij zich bezig met onderzoek van de Nasca-lijnen in Peru, de historische en moderne betekenis van glans en kleur in Latijns- en Midden-Amerika en de symbolische betekenis van dieren in pre-Columbiaans Midden-Amerika, de Andes en het Amazonegebied. Belangstelling voor archeologie zat er al vroeg in, getuige de foto op zijn persoonlijke pagina van de universiteitswebsite: een vijfjarige Saunders is met schep en pikhouweel op Salisbury Plain aan het werk. Vijftig jaar later zou hij er weer graven.

Tien jaar geleden zag je deze vercommercialisering van de Eerste Wereldoorlog nog niet.” In de lobby van het hotel in het Belgische Ieper, waar archeoloog Nick Saunders logeert in verband met een wetenschappelijk congres over trench art en verzamelaars, staan vitrines met voorwerpen uit de Eerste Wereldoorlog. Eén vitrine staat zelfs vol met opgegraven militaria waar de modder nog aan zit. “Toen vonden ze het vies, nu geldt het als authentiek.”

En bestudering van dit verschijnsel valt wat hem betreft ook onder conflictarcheologie, zijn nieuwe onderzoeksgebied waarover hij aan Bristol University doceert. “Conflictarcheologie is meer dan battlefield archaeology, wat oneerbiedig gezegd niet veel meer is dan kogels tellen om een slag te kunnen reconstrueren. Het vak is complex en interdisciplinair, want het gaat niet alleen om de studie van materiële cultuur van de oorlog (wapens, uniformen, defensiestructuren en gebouwen), maar ook om de studie van de omgang met oorlogssouvenirs, het landschap, oorlogsmonumenten, musea en naoorlogs toerisme. Ik ben nu bezig met een boek over de poppy [de klaproos, die het symbool van de loopgraven werd]. Het is bijvoorbeeld interessant om te zien welke Britse tv-presentator als eerste voor 11 november een poppy op de revers draagt. Dat gebeurt steeds vroeger.”

Conflictarcheologie richt zich ook op recente oorlogen en conflicten, zoals de Golfoorlogen, de Palestijnse Intifadah en de Balkanoorlog. “Wat vandaag gebeurt, is morgen al verleden en dus een potentieel onderzoeksterrein voor archeologen.”

Neem de satellietfoto’s die de Irakoorlog inleidden. Die laten zich volgens Saunders mooi vergelijken met de luchtfoto’s uit de Eerste Wereldoorlog. “Ze tonen een westerse manier van kijken, vol vertrouwen op technologie. Beide soorten foto’s lijken simpel te registreren wat er is. Hierdoor lijk je meer te zien, maar doorzie je ook meer? Toch werden op basis van dergelijke foto’s op grote afstand van het front beslissingen genomen die gevolgen hadden voor de soldaten op de grond.”

CHAOS

In de Eerste Wereldoorlog moesten die soldaten in de chaos van de strijd het juist niet hebben van zien. Hun gehoor was zo afgestemd dat ze soorten explosies konden herkennen, hun reukorgaan was er op gespitst om snel een vleugje gas of de geur van een lijk in ontbinding te ruiken en in het donker voelden ze hun weg. Zoals oorlogsdichter Wilfred Owen aan zijn moeder schreef: ‘Ik heb geen dode gezien, maar wel gevoeld, in het donker.’

“Er is één groot verschil tussen de luchtfoto’s en de satellietfoto’s. De luchtfoto’s zijn een gevolg van technologische ontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog – de oorlog was er dus eerst. Bij de Irakoorlog was het omgekeerd; daar zijn de foto’s die Colin Powell aan de VN liet zien en waarop bunkers met massavernietingswapens aanwezig leken te zijn, mede de oorzaak van de oorlog.”

Dat Saunders zich vooral met de Eerste Wereldoorlog bezighoudt, is een kwestie van toeval. Een reis naar Eurodisney met zijn kinderen was ruim tien jaar geleden een goed excuus om ook voor het eerst het slagveld van de Somme te bezoeken en het Eerste Wereldoorlogverleden van zijn beide grootvaders uit te zoeken. “De één werd in 1915 uit het warme India zo naar het Westelijk Front in de winter verplaatst. Zonder winterkleren. Binnen de kortste keren had hij last van bevriezingen en was de oorlog voor hem afgelopen. De ander werkte als mijnwerker en nam op een dag in 1917 met de rest van zijn woonplaats dienst. Hij kwam toen terecht in de Slag om Passendale, maar ook hij heeft de oorlog overleefd.”

Saunders, toen al twintig jaar bezig met de archeologie van Zuid-Amerika, herinnerde zich thuis nog ergens een oorlogssouvenir te hebben liggen. “Een versierde metalen luciferdoosjeshouder gemaakt van een granaathuls. Aangezien ik ook een antropologische achtergrond heb, wilde ik weten wat deze trench art betekende. Alle ‘experts’ vonden dat het rotzooi was en dus niks voorstelde. Voor mij reden een onderzoeksvoorstel te schrijven. Vervolgens heb ik me zes jaar met loopgravenkunst beziggehouden.”

VEELBETEKENEND

In 2003 publiceerde hij Trench art, materialities and memories of war. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog zijn van resten van oorlogsmateriaal talloze voorwerpen gemaakt. Saunders ontdekte dat aan al die voorwerpen veelbetekenende verhalen vast zaten. Ze waren gemaakt uit verveling, als bezwering, herinnering of gedenkteken, maar later ook als handel om aan oorlogstoeristen te verkopen.

Granaathulzen werden bijvoorbeeld veranderd in met art deco-motieven bewerkte vazen. “Ze verbeeldden hoe de moderne wereld een einde had gemaakt aan de oude rurale wereld van vóór 1914, toen art deco met zijn natuurmotieven in zwang was.” Een ander mooi voorbeeld vindt hij het kruisje van soldaat Vincent Sabini. “Dat was gemaakt van de Duitse kogel die hem in 1917 bij het Belgische Mesen had geraakt. De kogel had hem mank gemaakt, maar er ook voor gezorgd dat hij de oorlog had overleefd. Tot aan zijn dood op 90-jarige leeftijd in 1981 heeft hij het kruisje gedragen.”

Daarna kwam er een volgende stap in de culturele biografie van de tot kruis geworden kogel en kreeg hij weer een nieuwe betekenis: een familielid erfde het kruis en droeg het als herinnering en eerbewijs aan een dierbaar familielid. Saunders: “Onlangs hoorde ik dat dit familielid ook was gestorven en zich met het kruis had laten begraven.”

Tijdens een verblijf in Sarajevo negen jaar geleden viel het hem op dat de oorlogskunst van de Balkanoorlog door een selecte groep metaalbewerkers wordt gemaakt. “Ze werken in de traditie van de metaalbewerkers die daar in de vijftiende eeuw zijn aangekomen. Voor hen bestaat er geen onderscheid tussen trench art en gewone metaalbewerking, waarbij koffiepotten, vazen en lampen worden gemaakt.”

In zijn boek over trench art beschrijft hij hoe hij het in Sarajevo niet kon laten om participerend onderzoeker te worden. Dat gebeurde nadat een metaalbewerker, die tijdens de strijd tegen de Bosnische Serviërs lid van een militie was geweest, hem over een bijzondere vondst tijdens de oorlog had verteld. Bij een meer op de berg Treskavica had de man een depot ontdekt met granaathulzen uit de Eerste Wereldoorlog van de Oostenrijkse artillerie. Toen Saunders hem in 2000 in zijn winkel bezocht, had hij nog één huls over. De rest had hij al bewerkt en verkocht. Saunders stapte in de rol van oorlogstoerist en kocht de huls, die getuige een opschrift in 1918 in Berndorf was gemaakt. Hij vroeg de metaalbewerker hem in diens eigen familiestijl te versieren, dus met rondwervelende bloemmotieven en voluten. Ook liet hij een inscriptie met ‘Bosnian War’ en ‘1992-1995’ aanbrengen en de huls dateren en ondertekenen. “Toen ik laatst thuiskwam, had mijn vrouw hem op het tafeltje naast de deur gezet. Samen met een granaathuls die ik pas op vakantie in Fez onverwachts tegenkwam. Hij is versierd met islamitische motieven en stamt uit de jaren zeventig, toen Marokko met het Polisario Front in een strijd om de Westelijke Sahara was verwikkeld. Er blijkt in Marokko nog veel meer trench art te zijn. Ik probeer geld bijeen te krijgen om dat verder uit te zoeken.”

CEREMONIE

De avond na het congres treedt Saunders opnieuw in de rol van participerend onderzoeker. In Ieper is het sinds het einde van de Grote Oorlog gewoonte dat iedere dag om acht uur ’s avonds bij de Menenpoort de Last Post wordt geblazen. Tijdens de ceremonie wordt ook altijd een krans gelegd. Meestal door een vertegenwoordiger van een Brits militair regiment. Deze avond is het echter de beurt aan Nick Saunders, zegt Piet Chielens, coördinator van het In Flanders Fields Museum, dat samen met Saunders het congres heeft georganiseerd. “Wij willen laten zien dat herdenken niet alleen een militaire aangelegenheid is”, zegt Chielens, overtuigd pacifist. “Daarom mag Nick als medeorganisator de krans leggen.”

Saunders heeft geen bezwaar. “Sinds vijf jaar weet ik dat ook de naam van een grootoom op de poort staat.”

    • Theo Toebosch