Voor mij hoeft dat museum niet

De Kamer wil een ander historisch museum dan minister Plasterk wil. Maar de echte vraag is of dat NHM er wel moet komen, zegt Jan Blokker jr.

Voor mij hoeft dat museum niet Historisch Museum wordt onderwijs opgedrongen Tekening Siegfried Woldhek Woldhek, Siegfried

In het voorjaar van 1982 reisde ik met een groep schoolkinderen van Amsterdam naar Franeker. Dat was een heel eind weg, maar het was de moeite waard, want in Franeker was een bijzonder museum: het Planetarium van Eise Eisinga, gebouwd in de woonkamer van zijn huis. De reis met de bus duurde een uur of twee. In Franeker aangekomen zochten we naar het woonhuis, we bekeken het bont beschilderde plafond in het benauwde kamertje, en het mechaniek op de vliering. We aten een broodje en reisden terug, opnieuw twee uur in de bus.

Het waren de gezegende dagen dat scholen zich nog geen zorgen hoefden te maken over de onderwijstijd, en dat docenten zonder grote problemen iets konden ondernemen dat buiten de orde viel.

Eise Eisinga is opgenomen in de canon van Van Oostrom, als een van de vijftig vensters. Zijn planetarium zal al dan niet een plaatsje krijgen in het Nationaal Historisch Museum (NHM), tussen het kogelgat van het Prinsenhof in Delft, de boekenkist van Hugo de Groot en het meubilair van Pim Fortuyn.

Zou ik als leraar geschiedenis over een jaar of tien met de trein naar Arnhem sporen om een bezoek te brengen aan dat nieuwe museum? De reistijd is aanzienlijk minder dan naar Franeker. Toch denk ik niet dat ik de moeite zou nemen – tenzij ik ertoe zou worden gedwongen, bijvoorbeeld omdat een excursie naar het NHM zou zijn opgenomen in het curriculum, er gebeuren wel meer rare dingen.

Museumbezoek is van niet te onderschatten waarde voor het onderwijs en voor het geschiedenisonderwijs in het bijzonder. Het is goed om regelmatig de school uit te gaan en met een groep kinderen ergens heen te reizen waar iets te zien is. Juist omdat geschiedenis zo’n abstract vak is (alles is ver weg in tijd en plaats) moet je iedere gelegenheid aangrijpen om het verleden concreet te maken. Daar komt nog bij dat een verhaal moeilijk kan concurreren met een concreet beeld, een tastbaar monument. Je moet ze dus allebei bieden, het verhaal en het beeld.

Het Nationaal Historisch Museum in oprichting heeft, als ik het goed begrepen heb, geen eigen collectie: geen planetarium, geen boekenkist, geen hunebed. Het museum maakt dat alles zichtbaar met behulp van technologie. Het museum krijgt een verwijsfunctie. Maar moet ik in deze digitale tijd naar een museum om te worden doorverwezen?

Na binnenkomst krijgt de bezoeker een filmpje te zien over de Nederlandse geschiedenis, van twintig minuten (ik verzin het niet, ik heb het directeur Schilp zelf horen zeggen). Twintig minuten. Dat doet me denken aan een eersteklasser die vroeg of hij een werkstuk kon schrijven over ‘de Romeinse geschiedenis’ en die op mijn vraag of dat dan de geschiedenis zou behandelen van duizend jaren, bedremmeld knikte.

Het nieuwe museum biedt met dat filmpje geen serieus te nemen historische context en laat de keuze voor een route door de geschiedenis over aan ieder individueel kind. Daarmee zijn we aanbeland bij die vermaledijde misvatting dat kinderen hun eigen individuele leerweg zouden moeten uitstippelen. ’t Is om wanhopig van te worden dat je steeds weer opnieuw moet uitleggen dat een kind pas een eigen leerweg kan uitstippelen als het eerst iets geleerd heeft. Je kunt pas vragen formuleren als je al iets weet.

Het museum in oprichting gaat gebukt onder de last van loodzware politieke pretenties. Een van die ambitieuze politici, een dame van het CDA, hoorde ik spreken van een „museaal concept waarmee je scholieren aanspreekt, nieuwe Nederlanders bereikt en insteekt op burgerschap, democratie en nationale identiteit”. Leerlingen spreken (godzijdank, dat maakt ze ook zo aardig) nooit de taal van een museaal concept en ik ben ervan overtuigd dat je er geen enkele nieuwe Nederlander mee zult bereiken. ’t Is daarbij volstrekt onduidelijk welke nationale identiteit we precies moeten insteken.

Maar de grootste ergernis is toch wel die onuitroeibare reflex om allerlei modieuze onderwerpen te dumpen in het onderwijs. Maar al die zaken waar ze in de politiek geen raad mee weten, daar is het onderwijs niet voor. Onderwijs gaat over kennis, opdat kinderen later zelfstandig in staat zijn om hun eigen weg te kiezen.

En daar hebben we waarachtig geen prestigieus Nationaal Historisch Museum voor nodig.

Jan Blokker jr. is historicus en was werkzaam in het onderwijs.

    • Jan Blokker Jr