Volkszanger moet geduld hebben

De grens tussen hoge en lage cultuur staat fier overeind, meent kunstredacteur Wilfred Takken. Neem nu Frans Bauer. Een persoonlijk advies aan een culturele outcast.

Hoera, Frans Bauer heeft een vierde zoon. Hij heet Lucas en hij weegt 3320 gram. Belangrijk nieuws dat u afgelopen week tevergeefs op de kunstpagina’s in deze krant zocht. Natuurlijk, een kind krijgen is geen kunst (al denkt mevrouw Bauer daar momenteel waarschijnlijk anders over) en familieberichten horen niet thuis op de kunstpagina, maar ook Bauers cd’s en concerten gaan onbesproken aan deze krant voorbij. De populaire zanger van het levenslied doet niet mee, want de culturele elite vindt hem te slecht. Hij is lage cultuur.

Sinds enige jaren leeft het idee dat de grens tussen lage en hoge cultuur is weggevallen. Democratie nivelleert, dat is waar, en in Nederland gaat dat twee keer zo hard. Wie nauwelijks een adellijke of grootburgerlijke traditie kent, en wie opgroeit in een land vol handelaren en onderwijzers die in alles geldelijk of opvoedkundig nut zoeken, denkt al snel dat Bach en BZN evenveel waard zijn.

Vroeger trachtten het volk en de burgerij de adel te imiteren. Nu is die situatie deels omgekeerd. In dit neoarbeiderisme toon je als elitist juist je goede smaak door veelzijdig te zijn. En in je grote culturele hart ook een zwak plekje te bewaren voor Indische erotische ansichtkaarten uit het Interbellum.

Toch is het niet waar dat de grens weg is. Er is geen sprake van vrije uitwisseling tussen die elite en het volk van het hoge en het lage. Wanneer cultuurrelativisten spreken over die vervaging, bedoelen ze dat de eigen elite naast hoge cultuur, tegenwoordig ook wel eens lage cultuur snackt. Maar daarbij blijft die elite wel degelijk het verschil tussen die snacks en de belangrijke kunst zien. En het volk staat nog altijd ver af van de hoge cultuur. De elite is naar populaire muziek gaan luisteren, maar het volk is niet bekeerd tot Stravinsky. Het blijft eenrichtingsverkeer.

Verder heeft het systeem van hoog en laag zich verfijnd. Vroeger behoorden bepaalde genres tot de hoge, en andere tot de lage cultuur. Nu ligt dat genuanceerder: klassieke muziek, toneel en bellettrie blijven altijd hoog, jazz is van laag naar hoog gegaan, strips en thrillers blijven dat ook proberen, maar dat gaat niet zo soepel. Popmuziek en film zijn verdeeld. Musical en cabaret blijven verdacht, maar kunnen wel. Het levenslied en porno zullen altijd lage cultuur blijven.

Officieel let het Cultureel Supplement helemaal niet op hoog en laag. Wij bespreken wat goed is, negeren wat slecht is. Er zijn nauwelijks genres die we totaal negeren. Maar snobisme sluipt er altijd in, en vervuilt de smaak van de voorproevers. Ook hun smaak is aan vooroordelen en modes onderhevig.

Stel, Frans Bauer zou dolgraag

ook een keertje in het Cultureel Supplement willen staan. Hoe moet hij dat dan aanpakken? Sorry Frans, dat is net als bij exclusieve clubs: je moet gevraagd worden. Hij heeft dus een invloedrijke fan nodig die binnen de elite zijn zaak kan bepleiten. Het beste is een kunstenaar uit de hoge cultuur die bereid is Bauer op te nemen in zijn lijstje ‘invloeden’. Regisseur Tarantino deed dat met kungfufilms, blaxploitationfilms en George Baker. Om zich in te dekken bij zijn coming-out, kan de Bauer-fan zeggen dat het hem niet zozeer om de liedjes gaat, als wel om „het fenomeen”.

In de jaren negentig doken er overal cultuurfilosofen op die brede beschouwingen aan popzangeres Madonna ophingen. Iets met feminisme en beeldcultuur. Binnen twee zinnen valt in zo’n essay altijd het woord „icoon”, of „stijlicoon”. Zo zou je van Frans Bauer een „icoon van de minder bedeelde mens” kunnen maken. Dit soort essays, waarin lage kunst wordt geannexeerd door er een kapstok van te maken voor een cultuurhistorische analyse, wringt overigens altijd. Het gaat nooit over de kunst zelf, en die leegte kun je niet straffeloos opvullen.

Bauer zal vooral geduld moeten hebben. De krant van de culturele elite is doorgaans traag in het annexeren van lage cultuur. Rijping is een belangrijk middel. Een volkszanger uit de jaren vijftig maakt meer kans dan een volkszanger van nu. Het patina geeft de lelijkheid van vroeger een nieuwe glans. Je kunt zo’n zanger dan ook makkelijker in een cultuurhistorisch verkooppraatje plaatsen.

Wat helpt, is er op te wijzen dat de artiest zo’n goede vakman is. Doe een beroep op de vakkundigheid van de composities en arrangementen, zoals we dat eerder deden bij Abba en Marco Borsato. Bij Bauer wordt dat moeilijk, maar zijn verdediger kan altijd stellen dat hij zo goed is „in zijn genre”.

Het beste middel is een serieuze documentaire. Neem André Hazes. Jarenlang liet deze krant hem links liggen. Totdat een documentaire over hem werd bekroond op het Amsterdamse IDFA-festival. Langs deze omweg werd Hazes salonfähig. Hij kreeg zelfs een interview in dit katern. Hazes kon moeilijk door de poort op basis van muzikaal raffinement. Maar gelukkig leidde hij een gekweld leven van bierzucht, huiselijk geweld en tranen van spijt, waardoor hij kon passeren als ‘authentieke’ kunstenaar.

Het idee dat lage cultuur ‘authentieker’ is, en dichter bij het ‘echte leven’ staat dan hoge cultuur, is een oud romantisch idee dat nog altijd werkt. Bauer maakt een goede kans, want hij groeide op in een Limburgs woonwagenkamp. Wat hij dan weer niet zo goed doet, is dat hij zo’n vrolijke, opgeruimde man is.

In populistische tijden als deze blijft NRC Handelsblad een baken van gematigde redelijkheid. Maar ook deze krant is wel eens bang om de boot te missen, willekeurig welke boot. Hier ligt dus een kans voor Frans. Het wil echter nog wel eens misgaan als het om lage cultuur gaat. Nadat Hazes salonfähig werd, besloot deze krant een cd van hem te bespreken. De rockrecensent maakte er gehakt van. Hazes zelf was namelijk niet veranderd. De cd bleek even slecht als de zesentwintig die eraan voorafgingen en die het zonder NRC-bespreking moesten doen.

Veel gloeiender was de schaamblos toen de krant van 12 juli 2001 op de mat viel. Rockzanger Herman Brood was overleden. Deze krant had hem artistiek allang afgeschreven, maar toen sprong hij van een hotel en stond het land op zijn kop. Daar moest de krant iets mee. Zo kwam er op de voorpagina een essay dat kilometers om het werk van Brood heen fietste in een onnavolgbaar intellectueel parcours over de tijdgeest. Brood werd weggezet als de „de exponent van de ‘Thermidor’ die zich in de jaren zeventig uitkristalliseerde.” Zo’n behandeling typeert de kramp die deze krant overvalt als er over een volksheld moet worden geschreven. Om te tonen dat NRC heus wel proletarisch angehaucht is, eindigde het essay met een voetbalmetafoor: „Herman Brood was onze Diego Maradona.”

Als het Frans Bauer lukt om op de cover van het Cultureel Supplement te komen, wat dan? Als nieuwkomer zit je altijd onveilig, want de snacksmaak van de elite is grillig. Bauer zal zich doorlopend moeten vernieuwen. Hij zou bijvoorbeeld een cd kunnen uitbrengen met zigeunerjazz, en beweren dat die muziek altijd al zijn ware liefde was. Net zoals Hazes „eigenlijk een blueszanger” was. Voorop de cd een gruizige zwart-witfoto: peinzende Bauer (niet lachen, Frans!) op de veranda van een Pipo-woonwagen.

Verder kan hij gewoon dezelfde meedein-cd’s blijven maken, maar de elite kan dan verwijzen naar die ene cd, vooral naar dat hartverscheurende nummer over zijn huilbaby: Baby Lucas Blues.

Rectificatie / Gerectificeerd

CORRECTIES

Frans Bauer

In het artikel ‘Volkszanger moet geduld hebben’ (Cultureel Supplement van 15 mei, pagina 8) staat dat Frans Bauer is geboren in een Limburgs woonwagenkamp. Zijn geboortewagen stond echter in het Noord-Brabantse Roosendaal.

    • Wilfred Takken