Toen ik 10 was... Zag ik mijn eerste hooligans.

Toen ik 10 was... Zag ik mijn eerste hooligans. Illustratie Wibbine Kien Kien, Wibbine

Het was bij de wedstrijd tussen FC Den Haag (nu ADO) en West Ham United. Tweede helft jaren zeventig, kwartfinale Europa Cup 2, een inmiddels opgeheven competitie voor bekerwinnaars. Mijn vader en ik hadden seizoenskaarten, jarenlang, dus bij de thuiswedstrijden op zondagmiddag liepen we naar het stadion in het Zuiderpark. Onze vaste plek was de Noord-tribune, eerste rij.

Dit was anders, omdat het een avondwedstrijd was, met grote lampen, die veel sfeer gaven. En omdat ik mocht opblijven, nu Den Haag speelde tegen een machtige Engelse club, met hun superster Trevor Brooking.

Het was ook anders omdat de Engelse supporters zo wild waren. Enkele jaren later zouden de Haagse supporters zelf berucht worden om hun onsportieve instelling, maar toen maakten we zulk gedrag voor het eerst mee: in de hekken om het veld springen, met stokken op de tribune timmeren en gooien met bier.

De eerste helft was fantastisch. In het uitverkochte stadion speelde FC Den Haag West Ham helemaal zoek. Zonder te googlen kom ik nog een heel eind met de waarschijnlijke opstelling, met namen die ik me herinner van mijn met vaantjes en posters behangen jongenskamer: Ton Thie in het doel, De Caluwé, Van Vliet, Mansveld, Korevaar, Perazic, Kila, Schoenmaker, Bres, Van Leeuwen, Swanenburg. Misschien wel Martin Jol, of Oeki Hoekema, de roodharige Fries. Linksback Joop Korevaar was beroemd als voetballende Jehova-getuige. Kila was de breker. Na zijn profcarrière zakte hij af naar een vierdeklasser amateurs, waar ik hem eens met mijn club tegenkwam. Ik kon het als 17-jarige niet nalaten hem door zijn benen te spelen, maar toen vloog ik toch een eind door de lucht!

De bijnaam van het team van Den Haag was Ome Aad en zijn neefjes, want sterspeler was Aad Mansveld, de laatste man. Een geblokte verdediger, maar met een verfijnde techniek. Hij kon verwoestend uithalen en een pass over het hele veld geven in de voeten van een medespeler. Met hem erbij was Nederland in 1974 wereldkampioen in Duitsland geworden, dacht ik later. Hij speelde in Oranje, maar raakte voor het WK geblesseerd.

Die avond scoorde Mansveld maar liefst drie keer, in de eerste helft, een ongelofelijke hattrick voor een laatste man. Lex Schoenmaker maakte er ook één, dus het was 4-0 bij rust.

Het was feest en het stadion stond op zijn kop. Maar de Engelse supporters, die pal onder ons stonden, werden juist agressiever. Ze sloegen met hun vlaggestokken naar boven, naar de zittribune. Mijn vader reageerde verrassend. Hij zei: „We gaan naar huis.”

Dat was een domper. Nu was mijn vader geen bange man. Hij was een Hagenees. Vijftig procent bluf, vijftig procent ruwheid en altijd overal een grap van maken. Hij pochte vaak dat hij met zijn broers vroeger de schrik van de Boekhorststraat was geweest – een achterbuurtstraat in het centrum, waar ook mijn wieg had gestaan.

Pas buiten het stadion verklaarde hij zich, tegenover de worstverkoper. Ik kreeg een warme worst als troost. De verkoper verbaasde zich over ons vertrek, terwijl de wedstrijd zo goed ging. „Die Engelsen”, zei mijn vader, „gaan vreselijk tekeer. Dat is niks voor zo’n kleine jongen.”

Daarna ging het helemaal mis. West Ham scoorde nog twee keer. In Londen verloor Den Haag met 3-1, dus lag de club uit het toernooi, omdat in een uitwedstrijd gemaakte doelpunten zwaarder tellen. Als we waren gebleven, was dat vast niet gebeurd. Het zou nog jaren duren voor ik de onverwachte zorgzaamheid van mijn vader op waarde kon schatten.

    • Ron Rijghard