Soms heb ik geen zin in kunst

Als de nood hoog is, maakt het niet uit waardoor die gelenigd wordt. Kunst of kitsch – als we maar in een ander doordringen. Of in onszelf. Vervoer mij naar mijn jeugd!

Interieur Bruder-Klaus-Feldkapel Deutschland, Mechernich Wachendorf, Feldkapelle Bruder Klaus, Architekt Peter Zumthor, 19.05.2007 eingeweiht von Heiner Koch, Hof Scheidtweiler, Fassade, Nahaufnahme, Licht, Lichteinfall, Reflexion, reflektieren, Stein, Gestein, Deutschland, Europa, 11/2007, HF, (Bildtechnik: sRGB, 95.23 MByte vorhanden) English: Germany, Mechernich Wachendorf, Brother Klaus Chapel, architect Peter Zumthor, consecrated May 19 2007 by Heiner Koch, Hof Scheidtweiler, facade, close-up, light reflected on stone, reflection, Germany, Europe, November 2007 Photo: Hohenberg/laif/Hollandse Hoogte. Uit serie: Koeln (35x). *** Local Caption *** 01333965 Foto: Hermann-Josef Wöstmann in Mechernich-Wachendorf van de Zwitserse architect Peter Zumthor Hohenberg/laif/Hollandse Hoogte

Honger, dorst, en toen. Water, brood, en toen. Wijn, kaas, en toen. Ik wil fictie! Soms kan de behoefte aan fictie net zo nijpend zijn als die aan eten en drinken. Het is geen eerste levensbehoefte, maar het lijkt wel zo. Je gaat niet dood zonder kunst, maar het lijkt wel zo. Als de nood hoog is, maakt het niet uit waardoor die gelenigd wordt. Bitter kruid of grande bouffe, paardejam of Joep Meloen, alles is goed als het maar een verhaal is, als het hier en nu maar even hun bek houden; als daar, toen, straks, de boel even mogen overnemen. Vervoer mij. Pirelli of Picasso, Walasse Ting of Titiaan, armzalige alliteratie of dactylische hexameter; soap of Stendhal, roddel of Shakespeare, vervul mijn behoefte, lenig mijn nood. Niets kwellender dan dat oude Droste-blikje van taal: er zaten veertig rovers om het kampvuur en de roverhoofdman begon te vertellen: er zaten...

Om zo’n kampvuur schijnt het allemaal begonnen te zijn, toen daar niet alleen rovers zaten maar iedereen, helemaal terug in de prehistorie. Daar is de verslaving begonnen, met verhalen en rotstekeningen en beeldjes als de Venus van Willendorf. Kunst was er eerder dan veel andere dingen, voor het wiel, voor de veeteelt, voor het schrift, voor de Hollywood action summer blockbuster coming soon to selected theaters near you.

Aristoteles deed het bestaan van kunst nog af met de dooddoener dat mensen nu eenmaal van nabootsing houden; dankzij Darwin is het misschien mogelijk een antwoord te vinden op de vraag waarom dat zo is. Filosoof Denis Dutton vraagt zich in zijn boek The Art Instinct, dat binnenkort in vertaling verschijnt, af of kunst een adaptatie is of een bijproduct van een adaptatie. Met andere woorden: vergrootte kunst de overlevings- en voortplantingskansen in de lang vervlogen tijd van het kampvuur of was het een extraatje dat toevallig ontstond als gevolg van een andere aanpassing? Het kan nog korter door de bocht: is kunst zoiets als een clitoris of als een penis? Of is het toch een pauwenstaart?

De darwinistische mechanismes natuurlijke selectie en seksuele selectie worden door Dutton allebei gebruikt om het bestaan van kunst te verklaren. Kunst is een heuse adaptatie, die de mens evolutionair voordeel heeft opgeleverd. En kunst is net als de pauwenstaart het resultaat van seksuele selectie, een demonstratie van de fitness van de maker van die kunst. Pauwenstaart én penis en ook nog clitoris, want het vrouwelijk orgasme is volgens Dutton meer dan een bijproduct, misschien omdat hij vindt dat dingen die door natuurlijke selectie tot stand zijn gekomen nobeler zijn dan dingen die zo’n oorsprong ontberen. Alsof ze meer recht hebben om er te zijn. Alsof ze serieuzer genomen moeten worden.

Aardig van Dutton is wel dat hij een poging doet om door te gaan waar de meeste kunsttheorieën stranden. Kunsttheorie, of die nou darwinistisch is of niet, kan geen verschil maken tussen kunst en kitsch, literatuur en lectuur, slechte en goede kunst, goede kunst en heel goede kunst. Of zoals filosoof Chris Buskes het zegt in zijn onvolprezen boek Evolutionair denken: „Een evolutionaire esthetica kan bijvoorbeeld niet verklaren waarom wij Bach meer waarderen dan tijdgenoot Telemann, waarom W.F. Hermans een groter schrijver is dan Ronald Giphart.”

Dutton gebruikt als voorbeelden Rachmaninov en zijn tijdgenoot Nikolai Medtner en probeert het verschil wel te verklaren. Volgens Dutton componeerden de twee Russen in dezelfde stijl, maar is Medtner minder goed dan Rachmaninov omdat hij er niet in slaagde een persoonlijke toon te creëren. Dat klinkt jammer genoeg vaag, en dat blijft het ook, al is de algemene conclusie die hij trekt weer wel interessant: volgens Dutton proberen we via kunst in een ander mens binnen te dringen.

Volgens mij kan kitsch dat alleen ook, al is het dan geen ander, maar jezelf die je binnengaat; geliefde kitsch is vaak nostalgie, een sleutel om jezelf te openen: vervoer mij naar mijn jeugd. Het patina van oude televisieseries.

Soms heb ik helemaal geen zin in kunst.

Soms denk ik zelfs dat ik helemaal niet van kunst houd. Ik heb een hekel aan poëzie die als zodanig herkenbaar is en het idee om speciaal in een theater of een bioscoop te gaan zitten om daar kunst te ervaren – getverdemme. Dutton schrijft in zijn boek dat kitsch kitsch is omdat ze openlijk verklaart mooi, diepzinnig, ontroerend of belangrijk te zijn. Maar als je het zo bekijkt is alle kunst kitsch, want de meeste mensen gaan naar het museum of de opera om schoonheid te zien, ontroerd te worden, et cetera. Dat strookt niet met wat toch een andere noodzaak is om door kunst geraakt te worden; er is verrassing voor nodig. Zonder het onverwachte geen ontroering. Als die ontbreekt is alle kunst kitsch, of het nou Stendhal of Shakespeare is. Ik vind een schilderij van Monet mooier als ik het niet in een museum maar in een fietsenstalling tegenkom, ook al is het daar een vergeelde reproductie. Soms heb ik zelfs liever echte kitsch, omdat alles dan duidelijk is, een quick fix voor het bevredigen van mijn fictiebehoefte. Een detective, een romannetje, een tv-serie, en mijn trek in ‘en toen’ is gestild. Meer hoeft soms niet. Maar als meer wel moet is zo’n quick fix niet genoeg. En dan is dit kitsch-aspect van alle kunst een hindernis.

Het is met kunst misschien net als met meditatie, als je er je best voor doet, lukt het niet. Verleid worden is leuker als het spontaan gebeurt; liever verliefd worden in de disco dan via een datingsite en nog liever bij de bakker of waar ik het niet verzinnen kan. Mijn esthetische ervaringen zijn altijd intenser als ze door toeval zijn ingegeven. Filosoof Immanuel Kant had het in zijn kunsttheorie vaak over belangeloos beschouwen als vereiste voor een esthetische ervaring, maar hoe kan ik belangeloos beschouwen als ik 100 euro heb betaald, een reis heb gemaakt, een mooie jurk heb aangetrokken – allemaal dingen die je wel eens moet doen om van kunst te kunnen gaan genieten.

Soms zoek ik de schoonheid daarom maar helemaal buiten de kunst, bij dingen die niet alleen belangeloos beschouwd worden, maar ook belangeloos zijn gemaakt. De maker was niet uit op schoonheid, het is een bijproduct, toevallig gevolg van beslissingen die met heel andere dingen te maken hebben. Rijm is buiten een gedicht veel effectiever. Een ander voorbeeld van zulk schoon toeval zijn muurankers. Dat zijn ijzeren staven die tot in de twintigste eeuw gebruikt werden om balken aan gevels te verankeren opdat de muren niet uitwijken. Ze verbinden de inwendige houtconstructie van een gebouw met de stenen buitenmuren.

Vooral op blinde muren

zijn de ankers een genot; ze geven onverwacht ritme aan een vlak; alsof regen opeens muziek maakt. Stoere dingen zijn het, ferme strepen met een soort knoop in het midden, stoere strikken die onbedoeld een gebouw af maken. Sinds de uitvinding van het gietijzer hebben de ankers wel eens de vorm van rozetten of bladeren. Dan is er niets meer aan, dan is het versiering. Juist het feit dat ze niet gemaakt zijn om naar te kijken, geeft ze vleugels. Stiekem genot. In de Jordaan in Amsterdam worden er soms een paar zichtbaar aan de zijkant van een huis als het belendende pand is afgebroken. Dubbel stiekem genot.

De paradox is waarschijnlijk dat ik die muurankers alleen maar mooi kan vinden dankzij andere kunst; zonder Malevitsj en Mondriaan geen muurankers en toen zag ik een foto in The International Herald Tribune van een gat. Dat gat deed mij de adem stokken en toen ik erover las verschrompelden de muurankers tot lucifers. Het druppelvormige gat was deel van een gebouw van de Zwitserse architect Peter Zumthor. Nooit van gehoord. „Pritzker Prize Goes to Peter Zumthor”, luidde de kop. Van die prijs wel; een soort Nobelprijs voor architecten. Volgens het artikel zat het gat in het dak van een kleine kapel die Zumthor in de buurt van Keulen had gebouwd. Het artikel legde ook uit hoe dit minipantheon was gebouwd: Zumthor had een tent van boomstammen op laten richten en om die boomstammen waren lagen beton gegoten. Toen was in de tent een vuur gemaakt dat de boomstammen had verbrand. De afdrukken zijn nog in het beton te zien.

Ik wil erheen. Kan mij het schelen dat het een kapel is. Kan mij het schelen dat het in de buurt van Keulen is, in de buurt van een dorp zo klein dat de taxichauffeur het niet kan vinden; dit gebouw belooft een ervaring die over die belofte uit kan stijgen.

En toen was ik er.

De taxi stopt als ik in de verte een betonnen toren zie, aan het eind van een koolzaadveld in de Eifel. Mooi lijkt het niet. Als ik dichterbij kom laat de vorm zich niet meer eenvoudig benoemen. Het is een vijfhoek, maar vertel dat maar eens aan je ogen. Die krijgen geen vat op deze ogenschijnlijke eenvoud.

Binnen is het heel anders dan buiten. Meestal verraadt het uiterlijk van een gebouw wel iets over het innerlijk, net als bij mensen, maar hier is alles geheim. Het is een kleine ruimte, met de geur en de koelte en de kleuren van een prehistorische grot. Geen rotstekeningen, die zijn hier niet nodig. Niets is hier nodig. De ruimte is zo af dat je er niet eens naar hoeft te kijken: je reist naar Wachendorf om je ogen dicht te doen. En dan gebeurt er nog een soort wonder: met gesloten ogen blijft de kapel zichtbaar, alsof het patroon van de weggebrande boomstammen zich meteen heeft verinnerlijkt.

En toen was ik weer buiten en liep langs het koolzaad hoog op stelen terug naar de taxi. Ik hoorde de tune van de oude tv-serie Het kleine huis op de prairie, ooit een quick fix, nu begeleider van geluk. Ik spreidde mijn armen, zoals de meisjes in de serie dat doen, elke aflevering, aan het begin en aan het eind.

Volgens Stendhal was het schone de belofte van geluk.

In het geheugen lost kitsch die belofte in.

    • Bianca Stigter