Over het naakt zijn van eten

Merkwaardig dat sommig eten zo naakt is. Prei is het nooit, asperges heel gemakkelijk – na het schillen uiteraard. Blote aardappelen lijken veel minder bloot. Een varkenskotelet vind je niet naakt, maar een kip! Die is het blootst van alles. Ik heb ze wel eens zelf geplukt, kippen, fazant ook trouwens, dan zie je dat

Merkwaardig dat sommig eten zo naakt is. Prei is het nooit, asperges heel gemakkelijk - na het schillen uiteraard. Blote aardappelen lijken veel minder bloot. Een varkenskotelet vind je niet naakt, maar een kip! Die is het blootst van alles. Ik heb ze wel eens zelf geplukt, kippen, fazant ook trouwens, dan zie je dat blote nog sterker.

Fazant laat zich zo alle veren uittrekken, een kip moet je even in een pan kokend water houden, dan gaat het veel gemakkelijker. De kip ruikt dan ook ineens naar kippensoep.

Misschien is nog veel merkwaardiger dat wat eerst een levend dier was, zo snel in ‘eten’ is veranderd.
„Dag kippen”, zwaai ik maar even naar buiten waar het drietal gespikkelde vrouwtjes beeldig loopt te zijn in de tuin, „jullie niet hoor! Jullie zijn lief en leuk en mooi in de veren!”

Ik lees een gedicht van Esther Naomi Perquin, uit haar laatste bundel, Namens de ander, waarin kippen geplukt worden. „ook onder hun veren zijn ze nog kip” schrijft ze, en stelt zich voor dat ‘wij’ in staat waren elkaar te eten ,,dan smaakten wij anders dan eerder, met kleren”.

Eetlust, erotiek, vervreemdende naaktheid, vragen over het wezen van wat je ziet, hoe je van restjes steeds weer een geheel maakt - het komt allemaal bij elkaar in deze blik op de geplukte, vervolgens gehakte en opgegeten kippen. Perquin eindigt met wat „we zelf willen zijn: altijd/ herkenbaar als één en hetzelfde gezicht/ in almaar wisselende hoofden.”

Ja, dat zouden we wel willen, maar de kans daarop is heel klein. Je weet heel goed van jezelf dat je helemaal niet één en het zelfde gezicht bent en dat dus ook niet vertoont - steeds weer een ander. Licht anders in ieder geval. Terwijl alle kippen zo makkelijk één kip worden. De kip. Hoe ontdaan van alles ook, hoe ook „het hele hebben en houden gekloven”.

Laten we maar eens lekker een aangeklede kip maken, eentje waar we zelf een leuk zoet Marokkaans korstje op doen - een geestig zomerjasje voor een lekker kippetje. Van Claudia Roden, de heldin van de Midden-Oosterse keuken.

Kip met een korst van amandelhoning

  • 2 flinke uien
  • 4 el olie
  • 1 theelepel gemberpoeder
  • 1 ½ theelepel kaneel
  • 2 kippen, in vieren
  • plukje saffraandraadjes
  • sap van 1 citroen
  • 250 gr blanke amandelen
  • 1 el rozenwater
  • 4 el honing

Week de saffraandraadjes in een beetje water. Neem een braadpan die groot genoeg is voor de kip. Hak de uien en bak ze zacht in de olie met het gemberpoeder (zorg dat het vers is, als het al lang in een potje staat smaakt het nergens meer naar) en de kaneel. Leg de kip erbij, bestrooi met peper en zout, schenk het citroensap erbij, de saffraan plus weekwater en zoveel water dat alles net onder staat. Breng tegen de kook aan en laat een half uur zachtjes stoven.

Haal de stukken kip uit de saus, verwijder de nu flubberige vellen en leg de kip op een bakblik. Proef of de saus hartig en peperig genoeg is en giet hem als dat op orde is gemaakt over het vlees.

Maal de amandelen grof en vermeng ze met het rozenwater en de honing. Smeer deze pasta over de stukken kip en zet het geheel drie kwartier in de oven bij 180 graden.

Het lekkerste is om deze kip met brood dat in de saus gedoopt wordt op te eten en een sinaasappelsalade op tafel te zetten voor erachteraan.