Op zoek naar de okopipi in de Surinaamse jungle

Andrew Westoll: The Riverbones. Stumbling after Eden in the Jungles of Suriname. Emblem, 366 blz. € 19,65

Andrew Westoll: The Riverbones. Stumbling after Eden in the Jungles of Suriname. Emblem, 366 blz. € 19,65

De meeste boeken over Suriname worden in Nederland gepubliceerd en in veel van die boeken speelt het vroegere moederland een grote rol, of het nu gaat om geschiedenis, politieke verhoudingen of de relatie tussen Surinamers daar en hier. En vrijwel alles in het land lijkt zich in die boeken af te spelen in of rond Paramaribo.

De weinige auteurs van elders die over Suriname schreven, richtten zich vaak juist op de binnenlanden, het tropisch regenwoud en zijn inwoners, indianen en marrons, afstammelingen van ontsnapte Afrikaanse slaven. De biodiversiteit van het immense Surinaamse regenwoud is spectaculair, de indiaanse en marronculturen zijn uniek. Maar de vraag is hoe lang nog. In de afgelopen halve eeuw drong de moderniteit zich steeds meer op, of het nu ging om goedwillende zendelingen en onderwijzers of de bauxietindustrie, goudzoekers, houtkapbedrijven of de drugsmaffia.

De Canadese bioloog Andrew Westoll leerde Suriname kennen toen hij er onderzoek deed naar primaten. Vijf jaar later kwam hij terug, reisde vijf maanden rond, voornamelijk in het binnenland, en schreef er een flink boek over. De boodschap van The Riverbones is dat de biodiversiteit verloren dreigt te gaan door onverantwoordelijke exploitatie. Daarvan geeft hij treffende staaltjes. Natuurlijk treft deze milieuschade ook de inwoners van het binnenland, maar Westoll draait er niet om heen dat zij daar uit kortzichtig eigenbelang of onwetendheid hard aan meewerken.

Dat is een belangrijke boodschap, maar daarmee is nog geen meeslepend boek geschreven. Daarom laat hij de lezer mee griezelen en mee genieten van flora en fauna, mee luisteren naar indianen en marrons, en ook nog eens meevoelen met wat de arme Andrew zelf ondergaat. En dat is niet mis. Euforie en ontzag voor de majesteitelijke natuur, maar vaker nog zorg over wat hij allemaal ziet verdwijnen. Daarnaast fysieke ontberingen, twijfels en lichte wanhoop; en tot overmaat van ramp een prille relatie in Canada die door zijn afwezigheid alweer strandt.

Het boek verhaalt van de ene enerverende tocht na de andere, afgewisseld met korte rustpauzes in Paramaribo waar Westoll dan wat rondkijkt, rondhangt met Amerikaanse Peace Corpsvrijwilligers die hij ook overal in de jungle tegen het lijf loopt, en af en toe rake observaties noteert. En dan weer snel terug naar het immer trekkende en dreigende oerwoud.

Westoll zoekt, als was het een Heilige Graal, een zeldzame blauwe kikker, de okopipi, die hij op de laatste bladzijden inderdaad vindt. Hij houdt zich aan zijn belofte aan een indiaans dorpshoofd om het diertje niet mee te nemen. De foto die wel wordt genomen, blijkt later mislukt, een flauw stijlmiddel, maar de boodschap is duidelijk: wees zuinig op het oerwoud.

Zijn metgezellen op alle tochten zijn vooral marrons en indianen. Westoll schildert hen met evenveel sympathie als zorg: naarmate zij meer naar de stad trekken, zullen zij zichzelf verliezen en zal hun cultuur verloren gaan. Maar hoeveel is daar dan aan verloren? Daarover worden we niet heel veel wijzer, al geeft Westoll mooie inkijkjes.

Als er wat meer diepgang nodig is, verlaat hij zich vooral op het magistrale First-time, een boek over de orale tradities van marrons. De Amerikaanse antropoloog Richard Price publiceerde het een kwart eeuw geleden – met dezelfde boodschap van verlies. Zo’n aansprekend boek is er niet over de indiaanse cultuur, dus daarover blijft Westoll nog meer aan het oppervlak. Iets meer humor en zelfspot à la Redmond O’Hanlon zou wel fijn zijn geweest; of iets meer diepgang à la Price.

    • Gert Oostindie