Oorlog voeren - maar dan met geld

De mens is de mens een wolf – vooral in bankenland. Denken dat er geen regels nodig zijn is een vorm van vooruitgangsgeloof. Politici en centrale bankiers kunnen het vertrouwen in de economie niet herstellen. Ziehier de conclusies die te destilleren zijn uit de recente stroom boeken over de Tweede Grote Depressie.

Liaquat Ahamed: Lords of Finance. The Bankers Who Broke The World. Penguin Press, 564 blz. € 32,-.

George A Akerlof and Robert J. Shiller: Animal Spirits. How Human Psychology Drives The Economy, And Why It Matters For Global Capitalism. Princeton University Press, 230 blz. € 24,50

William D. Cohan: House Of Cards. How Wall Street’s Gamblers Broke Capitalism. Allen Lane, 468 blz. € 22,-.

Aan het eind van een gesprek over de financiële crisis zei Paul de Grauwe, een vooraanstaand macro-econoom aan de universiteit van Leuven, laatst peinzend: „We hebben allemaal in de verkeerde theorie geloofd. We dachten dat de economie in rationele modellen te vangen was. Als A, dan B dan C. De consument zou nooit iets doen wat niet goed voor hem was. Ieders gedrag was redelijk voorspelbaar, dachten we. Deze theorie berustte op de aanname dat mensen tegenwoordig goed geïnformeerd zijn en dus dezelfde waarheid begrijpen.”

Door de recessie is hij van mening veranderd. „Ik ben nu meer van de ‘behaviour economics’. Die theorie gaat ervan uit dat mensen de wereld, zichzelf en hun eigen drijfveren niet goed begrijpen. Vandaag doen zij A, morgen B. Dat is niet altijd in hun belang. Daarom moeten we regels hebben die ons, en de hele economie, tegen die irrationale drijfveren beschermen. Ik geloof niet meer in het miraculeuze van de vrije markt.”

Voor wie probeert te begrijpen hoe de wereldeconomie zo snel zo diep in het ravijn kon donderen, is deze bekentenis even verfrissend als bevreemdend. Het is altijd verfrissend als mensen – zeker specialisten – de moed hebben hun mening te herzien. In dit geval kun je zelfs meer van ideologie of doctrine spreken dan van meningen, want het geloof dat de markt zichzelf kan reguleren is mede gebaseerd op een positief mensbeeld. Het bevreemdende is dat economen als De Grauwe nu pas inzien dat irrationele factoren een rol spelen in de economie.

Hoe kan dat: nu pas?

George A. Akerlof en Robert J. Shiller, ook economen, hebben daar een antwoord op. In hun recente boek Animal Spirits; How Human Psychology Drives The Economy, And Why It Matters For Global Capitalism schrijven zij dat de invloedrijke Britse econoom John Maynard Keynes in zijn analyse van de Great Depression in de jaren dertig al aangaf hoe belangrijk ‘dierlijke drijfveren’ zijn in het menselijk handelen. De economie, betoogde Keynes in The General Theory of Employment, Interest and Money (1936), wordt deels aangejaagd door dezelfde emoties, impulsen en sentimenten die de boel uiteindelijk laten exploderen – tenzij er duidelijke regels bestaan die de excessen kunnen intomen.

Economische booms en recessies zitten, kortom, allebei tussen de oren.

Dezer dagen worden de verzamelde werken van Keynes er weer gretig op nageslagen. Maar zijn theorie over hoe regeringen zich met flink lenen en uitgeven een weg uit de malaise kunnen banen, schrijven Akerlof en Shiller, is incompleet. Waar het hun om gaat, is Keynes’ bijna vergeten pleidooi voor regelgeving om de niet-rationele motieven achter het menselijk handelen in te dammen. Hij vergeleek dit met kinderen opvoeden: kinderen hebben regels nodig maar moeten ook ruimte hebben om hun vleugels uit te slaan. Het is aan de ouders om een goed midden te vinden. In zijn ogen was deze rol van de regering dé grote les die de mensen destijds van de crisis moesten leren.

‘Herhaling van de Great Depression is nu een mogelijkheid,’ schrijven Akerlof en Shiller, ‘omdat economen, regeringen en het brede publiek de laatste jaren zelfgenoegzaam zijn geworden. Ze zijn de lessen van de jaren dertig vergeten.’

Akerlof, die aan de universiteit van Berkeley (Californië) werkt, won in 2001 de Nobelprijs voor zijn werk over ‘asymmetrische informatie’. Shiller is hoogleraar in Yale en auteur van het bekende boek Irrational Exuberance. Al in 2003 waarschuwde Shiller dat verdere stijging van de huizenprijzen ernstige gevolgen zou hebben. Animal Spirits benoemt één voor één de vermaledijde instincten en sentimenten die ervoor zorgden dat mensen echt geloofden dat huizenprijzen altijd stijgen – wat, benadrukken de auteurs, onzin is. Neem ‘vertrouwen’: wie een paar schoenen koopt, of een huis, baseert zijn besluit mede op de betrouwbaarheid van de verkoper, het vertrouwen dat ze hun baan zullen houden, enzovoort.

Andere dierlijke drijfveren zijn corruptie, het talent van mensen om zich rijk te rekenen, en het onweerstaanbare geloof in verhalen, waar of onwaar. Al deze drijfveren krijgen een hoofdstuk in het boek, gelardeerd met zeer begrijpelijke voorbeelden.

Sterker: de leek die dit leest, zal zich met stijgende verbazing afvragen waarom dit boek in academische kringen revolutionair wordt gevonden. Iedereen met een neef of buurman in investment banking, weet dat investeerders niet alleen naar rationele prognoses kijken. Zij moeten in investeringen gelóven. En geloof is psychologie. Het drijft op gevoel, geruchten, verhaaltjes, humeuren.

Succesvol zakendoen, schrijven Akerlof en Shiller, ‘drijft op de opwinding dat je de toekomst aan het vormgeven bent.’ Het is aanstekelijk. Hetzelfde geldt, omgekeerd, als het misgaat: binnen de kortste keren wordt iedereen door pessimisme aangestoken. Dat zien we nu. Veel mensen die er niet op achteruit zijn gegaan, stellen toch de aankoop van een auto uit. Zo werkt het op financiële markten ook. Eén gerucht, en iedereen wedt op een ander paard. Een bank in acute problemen moet tussen vrijdagavond en zondagavond laat worden ‘gered’, om maximaal vertrouwen te wekken als de markten in Azië opengaan.

Het afgelopen jaar leverde daar spectaculaire voorbeelden van – neem Fortis. Waarom, vragen de auteurs, hebben successievelijke regeringen sinds de jaren tachtig zoveel bestaande restricties opgeheven op risicovol beleggen, restricties die president Roosevelt deels na de Great Depression had ingesteld om de mens tegen zijn eigen irrationele drijfveren te beschermen? Waarom konden handige, agressieve financiers vanaf de jaren negentig ongereguleerd miljarden opstrijken door gezonde bedrijven op te kopen, die diep in de schulden te steken en vervolgens te verdienen aan het koersverschil? Waarom hebben zij regels voor banken die hypotheken verstrekten en die zelf beheerden, niet aangepast vanaf het moment dat die hypotheken werden doorverkocht van de ene financiële instantie naar de andere? Waarom?

Ook dit behoort tot de duistere instincten van de mens: denken dat er geen regels nodig zijn, is een vorm van vooruitgangsgeloof – net als het geloof dat er nooit meer oorlog komt. Dit vinden Akerlof en Shiller gevaarlijk: ‘Kapitalisme kan ons het beste geven van alle werelden, maar alleen op een speelveld waar de regering regels uitvaardigt en als scheidsrechter fungeert.’

Hoe de mens de mens een wolf was in bankenland, is mooi maar vermoeiend opgetekend in House of Cards; How Wall Street’s Gamblers Broke Capitalism van de voormalige zakenbankier William Cohan. Dit is het verhaal van de teloorgang van de Amerikaanse zakenbank Bear Stearns – ‘Bear’ – in tien dagen tijd, in maart 2008. In 2007 werd deze bank, waar vijftienduizend mensen werkten, door het blad Fortune nog ‘een van de succesvolste zakenbanken’ genoemd. De aandelen stonden op ruim 170 dollar. Toen het wrak van Bear door concurrent JPMorgan Chase werd opgekocht, betaalde die er – met hulp van de Fed, de Amerikaanse centrale bank – twee dollar voor.

Bear Stearns was ruim tachtig jaar actief op Wall Street. De bank overleefde de depressie van de jaren dertig. Dat zij nu zó snel in elkaar zakte, had weinig te maken met cijfertjes en des te meer met het gigantische testosterongehalte van haast iedereen die er werkte. Bear had geen traditionele rekeninghouders, wier spaargeld kon worden belegd. Daarom leenden medewerkers van de bank elke ochtend vroeg miljarden, die op korte termijn werden terugbetaald. Het geld stroomde de deur in en uit als regen in een gootje.

Maar één (deels terecht) gerucht over problemen bij hedgefondsen van Bear zorgde ervoor dat enkele investeerders – onder wie keurige banken – op een ochtend zeiden: nee. Daardoor kwamen anderen evenmin over de brug. De handel lag meteen stil. Aandelen Bear kelderden. Het eind was vernederend: JPMorgan slokte als een gier de resten op.

Cohan heeft veel protagonisten van Bear en daaromheen (zoals Timothy Geithner, nu minister van Financiën, destijds de baas van de centrale bank van New York), gesproken. De woordkeus van Bear-mensen spreekt boekdelen. Elke zin begint zowat met ‘bullshit’ en eindigt met ‘fuck’. Bear Stearns, schrijft Cohan, liet zich erop voorstaan ‘gewone jongens’ aan te nemen. Jongens die niet doorgestudeerd hadden, en één drijfveer hadden: ‘plenty rich’ worden. En passant namen zij dan sociaal wraak op meer gepolijste bankiers bij de concurrentie, die geen ‘deal’ zeggen maar ‘transaction’. Binnen de bank maakten de Stearns-mannen (er zat geen vrouw bij) elkaar af op weg naar de top, met jaarlijkse bonussen van twintig, dertig miljoen. Verschillende leiders waren, intrigerend, bridgekampioenen.

De kiemen voor de crisis, stelt Cohan net als Akerlof en Shiller, werden tijdens de regering-Clinton gezaaid: in een poging kansarme Amerikanen aan eigen huizen te helpen, vroeg de regering financiers soepel te zijn met terugbetalingsvoorwaarden van hypotheken. Deze politiek werd onder president Bush voortgezet. Cohan beschrijft hoe de hedgefondsmanagers bij Bear Stearns zich als roofdieren op de hypotheekmarkt stortten, en hoe zij investeerders en zelfs hun bazen voorspiegelden dat dit niet zo was. Nieuwe secretaresses kregen na enige tijd aanmaningen van toezichthouders: waar hun verslagen over de transacties bleven. Later bleek dat secretaresses bij Bear nooit werd verteld dat die verslagen volgens de wet gemaakt moesten worden. En dat je strafbaar was als je dat niet deed. Bear had daarop het volgende gevonden: zodra er onheil dreigde, vloog de secretaresse eruit en trad de volgende aan.

Wat de banktop deed – en beloonde bij alle medewerkers – was oorlogvoeren, maar dan met geld. Het moest een keer misgaan. Maar omdat de ‘giftige’ hypotheekstukjes ettelijke malen waren doorverkocht, destabiliseerde de val van Bears financiële instellingen overal ter wereld. Dit verhaal is er maar één. Er waren duizenden banken die hetzelfde deden, en erger. Cohan citeert de laatste CEO, Alan Schwartz (alweer onder contract bij Rothschild), met de voeten op tafel: „We all fucked up. Government. Rating agencies. Wall Street. Commercial banks. Regulators. Investors. Everybody.”

Velen hebben hun hoop nu gevestigd op politici en centrale bankiers. Weten die geen methode om het vertrouwen te herstellen? Liaquat Ahamed, econoom en oud-bankier die hedgefondsen adviseert, geeft in zijn boek Lords of Finance antwoord: waarschijnlijk niet. Althans, als de vorige grote crisis, die van tachtig jaar geleden, een maatstaf is. Aan de hand van karakters, carrières en levenslopen van de centrale bankiers van de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland beschrijft Ahamed de economische ravage na de Eerste Wereldoorlog, en hoe zij met zijn vieren probeerden daaruit te komen. Die pogingen waren ondanks ontluikende vriendschappen – zoals tussen Montagu Norman van de Bank of England en Benjamin Strong van de Federal Reserve Bank in New York, die weken naar elkaar toe op de boot zaten – vergeefs. De ondertitel van dit boek luidt: The Bankers Who Broke The World.

Destijds zaten veel valuta vast aan de waarde van goud. Centrale banken moesten zorgen dat de hoeveelheid geld die in omloop was, correspondeerde met de hoeveelheid goud in het land. Maar door de oorlog ging veel goud naar de VS. Verhoudingen klopten niet meer. Maar de queeste naar een nieuw of beter systeem liep stuk op politieke problemen – en de vroegtijdige dood van de meest flexibele centrale bankier, de Amerikaan.

Hét probleem was dat de geallieerden Duitsland na de oorlog opzadelden met hoge herstelbetalingen. De Duitsers, en zeker de briljante, arrogante Hjalmar Schacht van de Reichsbank, vonden dit unfair en traineerden de betalingen. De naoorlogse hyperinflatie was in Duitsland tomeloos, waardoor Schacht een punt had. Maar Britten en Fransen bleven hem vastpinnen op nieuwe bedragen. De atmosfeer tussen de vier – of drie – bankiers verzuurde. Ook de Britten en Fransen vertrouwden elkaar steeds minder. Ten slotte gingen ze naar de goudstandaard terug. Desastreus – in die tijd kwam Hitler op.

Bij het lezen van dit boek, dat met wijsheid en elegantie is geschreven en gelukkig is verstoken van ieder achterafoordeel, bekruipt je steeds de vraag: zijn de Bernankes van deze wereld, en de Trichets, slimmer dan dit viertal? Het is te hopen. Ahamed vermijdt, behalve aan het eind, parallellen met het heden – waardoor die parallellen, heel knap, juist sterker worden.

Ten slotte komt ook Ahamed, in zijn epiloog, uit bij Keynes. Hij noemt deze crisis erger dan die van 1931-1933: ze is mondiaal en maakt wereldwijd financiële instellingen kwetsbaar. Ditmaal pompen centrale bankiers en regeringen echter meer geld in bankwezen en economie. Of het genoeg is om alle ‘menselijke blunders’ teniet te doen weet Ahamed niet, maar die activistische rol stelt hem enigszins gerust. Dan concludeert hij, zoals Cohan, Akerlof en Shiller dat ook deden, dat Keynes gelijk had. Keynes geloofde immers dat ‘als we maar een eind konden maken aan ‘troebel’ economisch denken – een van zijn favoriete uitdrukkingen – dat de maatschappij dan zijn materiële welvaren ondergeschikt kon maken aan wat híj [Keynes] zag als de centrale kwesties van ons bestaan, ofwel ‘de problemen van het leven en de menselijke betrekkingen, van schepping, gedrag en geloof’.’

    • Caroline de Gruyter