Ook het Frans zal Afrika niet redden

Ahmadou Kourouma’s werk is één grote schreeuw om een eind te maken aan de corruptie in Afrika. Kan taal daarbij helpen?

Louise Fresco nam in haar column ‘Karikaturen van leiderschap’ (Opinie & Debat, 28.04.09) de staatshoofden van Afrika onder de loep. ‘Een lange lijst van leiders die op zijn best als dubieus kunnen worden geclassificeerd’, schreef ze, ‘met veel gevallen van blinde zelfverrijking’. Ze karakteriseerde bijna alle alle Afrikaanse regeringsleiders als ‘problematisch’, hetgeen ze gedeeltelijk historisch verklaarde vanuit het (neo) kolonialisme, het gebrek aan democratische tradities en de tribale gebruiken. Afrika is altijd het continent waar het nog slechter gaat dan elders in de wereld. Zo voelt iedere Afrikaanse leider, bovendien financieel afhankelijk, zich ‘chronisch onzeker’ en ‘gemarginaliseerd’. ‘Wie in zijn hart niet overtuigd is van zijn kracht, maakt van zijn leiderschap een karikatuur. Dan wordt macht gelijk aan extreme willekeur’, aldus Fresco.

In Allah is niet verplicht drijft de in Ivoorkust geboren schrijver Ahmadou Kourouma (1927-2003) die karikatuur, die willekeur, door tot het uiterste. Als een jongen van een jaar of tien kijkt Kourouma naar de idiotie, het geweld, de corruptie en de uitzichtloosheid in Ivoorkust en omringende landen. De vernietigende macht van de Afrikaanse dictators, die elkaar dankzij de ingewikkelde internationale relaties tijdens de Koude Oorlog konden opvolgen, was volgens Kourouma de kern van het probleem. Een Afrikaanse schrijver kon niet anders dan politiek geëngageerd zijn. En steeds had hij daarbij ook oog voor de positie van de vrouw. In Allah is niet verplicht schrijft zijn verteller ironisch: ‘Nergens op de hele wereld mag een vrouw het bed van haar man verlaten, zelfs als de man de vrouw verrot scheldt, slaat en bedreigt. Ze heeft altijd ongelijk. Dat noemen ze de rechten van de vrouw’.

Birahima, Kourouma’s verteller in Allah is niet verplicht, gaat na de dood van zijn moeder op zoek naar zijn tante. Die tocht voert hem naar buurlanden, in gezelschap van vermeende ooms, féticheurs, grigrimannen, krijgsheren (en een -dame), marabouts en zielenvreters. Hij wordt kindsoldaat in een leger dat bestaat uit jongens en meisjes die eerst hun ouders moesten vermoorden om opgenomen te worden in het leger van de heersende krijgsheer. ‘En ik heb een heleboel onschuldige mensen gedood in Liberia en Sierra Leone, waar ik heb gevochten in de stammenoorlog, waar ik kindsoldaat ben geweest en waar ik stevig aan de harddrugs heb gezeten.’ Verkrachting, moord en verminking zijn gemeengoed in de wereld van de kindsoldaat. Morele overwegingen bestaan evenmin als een notie van geweten.

Kourouma’s drie grote romans, Les soleils des indépendances, En attendant le vote des bêtes sauvages en Allah n’est pas obligé, hebben het gezicht van de Afrikaanse literatuur veranderd. Zijn werk is een grote schreeuw om een einde te maken aan de corruptie van de Afrikaanse dictators en aan de zinloosheid van de burgeroorlogen. Zelf bracht de schrijver, door de Ivoriaanse machthebbers beschouwd als kritisch en ongewenst burger, noodgedwongen een groot deel van zijn leven door in Algerije, Frankrijk, Kameroen en Togo.

In zijn laatste, onvoltooide roman, Quand on refuse on dit non, pakt Kourouma het verhaal van de kindsoldaat Birahima weer op, hij keert terug naar Ivoorkust en treft een even wanhopige situatie aan als in zijn jeugd. De wetteloosheid onder de elkaar opvolgende dictators duwt het land nog steeds naar de afgrond.

Wat Kourouma onderscheidt van andere Afrikaanse schrijvers – Emmanuel Dongala, Sony Labou Tansi, Calixthe Beyala, Ousmane Sembene, Henri Lopes, Véronique Tadjo of Abdourahman A. Waberi – die een vergelijkbare thematiek aan de orde stellen, is het gevecht dat hij levert met de Franse taal. Jammer genoeg is dit symbolische aspect onvermijdelijk minder opvallend in vertaling – ook in de uitstekende vertaling van Mirjam de Veth (die het boek uit het Frans vertaalde en niet uit het Engels zoals de leesclubuitgave vermeldt).

Kourouma schreef allesbehalve een ode aan het Frans en doet geen enkele poging te voldoen aan de wetten van de grammatica zoals die door de Académie française worden verdedigd. Integendeel, hij laat het Frans dansen naar het pijpen van de Afrikaanse talen, naar het ritme, de klanken en de compositie van het malinké, zijn moedertaal. Kourouma annexeert de taal van de voormalige kolonisator, maakt die ondergeschikt aan lokale zegswijzen en uitdrukkingen – een in het postkoloniale tijdperk niet mis te verstane geste.

Door zijn jonge verteller voortdurend woorden te laten opzoeken in prestigieuze Franstalige woordenboeken, steekt hij de draak met de superioriteit van het Frans. De voorbeelden zijn gericht tot een lezerspubliek dat van alles niet kan begrijpen: (Ze zeggen noodbrancard als die brancard in geval van nood haastig in elkaar is gezet) of (Djoko-djoko betekent hoe dan ook, koste wat kost, volgens de Inventaire des particularités) of (Uitdossen betekent wonderlijk kleden volgens mijn Larousse).

Als lezer erger je je op den duur aan de vele onderbrekingen tussen haakjes: ze voegen doorgaans niets nieuws toe, ze herhalen, laten de tekst rondjes draaien. Wellicht was dit paradoxaal genoeg precies Kourouma’s bedoeling. De woorden verwijzen naar elkaar, rijgen zich aaneen, zonder iets te doorbreken. Ze slagen er niet in betekenis te geven aan de wereld die ze trachten te vatten. Iedere duiding van die apocalyptische, onmenselijke wereld is onmogelijk. Zelfs het woord heeft dan geen zin.

    • Margot Dijkgraaf