Ontmaskering van haatmailers

Kunstenares Tinkebell, die ooit een handtas van haar eigen kat maakte, kreeg duizenden haatmails. Ze ging op zoek naar de identiteiten van haar bedreigers. In het boek Dearest Tinkebell worden die nu geopenbaard.

hatemail

In het huis van Katinka Simonse, beter bekend onder haar artiestennaam Tinkebell, zou Barbie zich direct thuis voelen. Uit alle hoeken van de benedenwoning straalt de kleur roze je tegemoet – van het behang op de muur tot het hoeslaken om het matras. De kunstenares, zelf ook van top tot teen in roze gehuld, serveert vruchtenthee uit een pot met roze bloemetjes. Laatst, vertelt ze lachend, bood een man in de Albert Heijn haar spontaan een pak roze koeken aan toen hij haar voorbij zag lopen.

Een drietal katten – met roze penningen aan hun halsbandjes – loopt stoïcijns aan het bezoek voorbij. Ze lijken zich volkomen op hun gemak te voelen bij de opgezette dieren die de woonkamer ook bevolken. Hoog op een kast zit Brutus, een stoere herder die is omgevormd tot een sullige lappenpop, met lange poten die alle kanten op wijzen. Hij is een van de zogenaamde Baby Bunnies, een verzameling knuffels die Tinkebell vorig jaar maakte van echte huisdieren. Boven de deur die naar de keuken leidt, zit een groepje cavia’s dat al net zo gebruiksvriendelijk is als de plooibare hond. Dankzij een ingebouwd mechaniekje zijn de knaagdiertjes op afstand te besturen.

Tinkebell is een prinsesje met lugubere trekjes. Tenminste, dat is het imago dat Simonse sinds haar academiejaren in stand houdt. Haar kunstprojecten zijn doelbewust shockerend. Ze redde 61 eendagskuikens uit de bio-industrie, maar dreigde die vervolgens alsnog door de versnipperaar te halen als de bezoekers van haar tentoonstelling Save the Males (2007) ze niet zouden adopteren. Ze liet honderd hamsters urenlang in plastic ballen – afkomstig uit dierenwinkels – rondlopen in een galerie (Save the Pets, 2008). En ze maakte een handtas van haar zieke cyperse kater Pinkeltje, die ze eigenhandig de nek omdraaide en vilde (My dearest cat Pinkeltje, 2004). Dit alles om de discussie aan te wakkeren over de manier waarop de mens met zijn mededieren omgaat.

Die strategie werkte. Er ontstond inderdaad een fel debat over Tinkebells kunstwerken, die uitvoerig besproken werden in kranten, televisieprogramma’s en op sites als GeenStijl. Maar de woede keerde zich vooral tegen de kunstenaar zelf. Op internetfora werden de meest hatelijke berichten achtergelaten. En op haar persoonlijke e-mailadres ontving Tinkebell tussen 2004 en 2008 duizenden dreigmails, de meeste naar aanleiding van de kattentas. „Ik wist wel dat mijn werk voor reacties zou kunnen zorgen”, zegt ze. „Maar dat er uit heel de wereld respons zou komen, had ik nooit verwacht. Dat overviel me echt.”

Nu staan al die haatmails in roze

lettertjes afgedrukt in een boek van telefoongidsdikte. De bundel, getiteld Dearest Tinkebell, wordt morgen gepresenteerd in Paradiso en zal daarna zeker stof doen opwaaien. Want behalve een kleine duizend scheldkanonnades omvat Dearest Tinkebell ook informatie over de afzenders. Zoals hun namen, leeftijden, woonplaatsen en adressen – soms handig aangeduid met een plattegrondje van Google Maps. Er staan verwijzingen in naar filmpjes op YouTube en profielen op MySpace, en voorbeelden van alle persoonlijke en gênante informatie die daar te vinden is. Zoals foto’s van familie en vrienden, beschonken of halfnaakte zelfportretten en vooral heel veel kiekjes van huisdieren.

Al die informatie werd de afgelopen maanden bij elkaar gezocht door Coralie Vogelaar (1981), een kunstenaar en ontwerper die Tinkebell kende van het Sandberg Instituut. Vogelaar maakte de afgelopen jaren een aantal interessante conceptuele boeken, waaronder The Photoshop, een soort catalogus vol nagespeelde krantenfoto’s. De twee vrouwen beschouwen Dearest Tinkebell als een gezamenlijk kunstproject. „In dit boek raken onze oeuvres elkaar”, zegt Tinkebell. „Ik zie het als een soort kruispunt. Hierna gaan we weer ieder onze eigen weg.”

Vogelaar, die ook is aangeschoven in Tinkebells keuken, vertelt dat ze direct gefascineerd was door het idee om een boek te maken over hatemail. „Je leest vaak in de krant over rechters of bankiers die haatmail krijgen. Daarbij vroeg ik me altijd al af wie die bedreigers dan waren. Is dat de gemiddelde bevolking, of zijn het vooral pubers? En als dat laatste zo is, moet je er dan wel aandacht aan schenken? Ik was vooral nieuwsgierig naar de mensen die zich achter al die schuilnamen verstopten.”

„Dit boek haalt de abstractie van dreigmail af”, vult Tinkebell aan. „Je hoort bijna iedere dag wel dat er iemand wordt bedreigd, maar niemand kent iemand die zoiets doet. Dat klopt natuurlijk niet. Want waarschijnlijk kennen we allemaal mensen die dit soort mails sturen. Het kan de buurvrouw zijn, of de buurjongen, of je eigen kind.”

De methode die Vogelaar ontwikkelde voor haar speurwerk, was betrekkelijk eenvoudig. Eerst werd het e-mailadres van de bedreiger ingevoerd bij zoekmachines als Google, Yahoo en Live. Vervolgens werd een zogenaamde ‘scraper’ ingeschakeld, een geautomatiseerde zoekmachine die openbare gegevens op sociale netwerken als Facebook of LinkedIn afspeurt – iets wat Google niet doet. En tenslotte werden de gegevens en foto’s van de verschillende sites naast elkaar gelegd, om te controleren of het ook echt om dezelfde persoon ging.

„Het was schokkend om te zien hoeveel persoonlijke informatie je gewoon kunt vinden op internet”, vertelt Vogelaar. „Tot telefoonnummers aan toe. Wat opvalt is dat deze bedreigers vaak hele exhibitionistische types zijn, die honderden foto’s van zichzelf op het web hebben gezet. Ze willen het allemaal kwijt, en denken dat alles wat zij doen voor iedereen interessant is.”

Tinkebell: „Mensen plaatsen echt de meest bizarre dingen online: ik ben dertig, heb twee kinderen, zit aan de prozac en het leven is kut.”

Vogelaar: „Of: kijk, hier was ik dronken en mijn vrienden hebben foto’s gemaakt en die heb ik op mijn eigen site gezet. Niet zo handig als je ooit nog een goede baan hoopt te vinden. Want natuurlijk zoeken ook werkgevers potentiële kandidaten eerst even op Google op.”

De conclusie die je, afgaande op

de foto’s, uit Dearest Tinkebell kunt trekken, is dat het merendeel van de mails afkomstig is van verveelde pubers, en dan met name Amerikaanse meisjes. „Het zijn jongeren die nog heel erg zwart-wit denken en erg impulsief reageren”, zegt Vogelaar. „Kinderen die zonder nadenken op ‘send’ klikken. De meeste mails staan vol spelfouten. En je ziet dat ze meestal ’s nachts zijn verstuurd. Wat mij erg heeft verbaasd is dat de meest heftige mails van de jongste mensen komen. Een meisje van zestien dat schrijft: ‘Ik ga je slaan tot je niet meer kunt bewegen en dan ga ik je opensnijden en hak ik je hand af en leg ik de telefoon op een plek waar je er net niet bij kunt.’ Dan denk je: wow, naar welke slechte film heb jij gekeken? Daar spreekt zoveel haat uit.”

De vraag is natuurlijk of je aan al die tienerwoede veel waarde moet hechten. „Ergens”, zegt Vogelaar, „herken ik mijzelf ook wel een beetje in die mails. Toen ik zestien was moest van mij ook iedereen voor het milieu zijn, anders zou ik daar wel voor zorgen. Dat hoort een beetje bij die leeftijd.”

Het is haast grappig om te zien dat de jongen die Tinkebell in juli 2005 een mail stuurde met de tekst ‘STERF HOER IK GA ZORGEN DAT JIJ UREN LANG GAAT LIJDEN’ een 17-jarige hardrocker uit Naaldwijk blijkt te zijn die op internet naarstig op zoek is naar strips van Jan, Jans en de kinderen. Schokkender wordt het wanneer naast een foto van een keurige Amerikaanse huismoeder – want ook die zijn in het boek goed vertegenwoordigd – een zinsnede te lezen is als ‘what a stupid fucking bitch you are’.

Tinkebell en Vogelaar benadrukken

dat ze alleen gegevens hebben gebruikt die de afzenders zelf openbaar hebben gemaakt. „Alle informatie is op legale wijze verkregen”, verzekert Tinkebell. Toch bestaat de kans dat Dearest Tinkebell uit de handel wordt genomen. Want geen van de geportretteerden in het boek heeft toestemming gegeven of is op de hoogte dat hij of zij aan de schandpaal wordt genageld. Zoals Niels Huijbregts, woordvoerder van internetprovider XS4ALL, schrijft in een van de essays in Dearest Tinkebell: „Wat Tinkebell en Coralie Vogelaar doen is illegaal.” Je mag niet zomaar persoonlijke informatie van derden publiceren. Je hebt te maken met privacywetgeving, met auteursrecht, zelfs met briefgeheim. Dat is ook de reden waarom uitgeverij d’jonge Hond op het laatste moment afzag van publicatie en Tinkebell gedwongen was het boek in eigen beheer uit te geven.

Is het daarom niet een wat al te heftige reactie, om de ene misdaad met de andere te bestrijden? „Het enige wat ik met dit boek doe is de bal terugkaatsen”, reageert Tinkebell. „Ik stel hun de retorische vraag: ‘Oh, jij wilt mij dood hebben? Maar wie ben jij dan eigenlijk?’ En dan blijkt dat op internet die mensen zelf het antwoord geven.”

Als ik vraag hoe ze zich hebben voorbereid op mogelijke rechtszaken, reageren de twee kunstenaars laconiek. „Dat wordt propjes prikken volgend jaar”, lacht Vogelaar. „Er valt bij ons toch geen geld te plukken.” Wij hebben niets, zegt ook Tinkebell. „Daarbij: als deze mensen een claim bij me indienen, dan doe ik aangifte van bedreiging. Dat is dan de deal. Jij kinderachtig, dan ik ook kinderachtig. Tot nu toe heb ik nooit stappen ondernomen, dat vond ik tamelijk flauw. Door aangifte te doen stap je namelijk automatisch in een slachtofferrol en dat wil ik niet. Maar op het moment dat mensen hierover struikelen, over iets wat ze zichzelf hebben aangedaan, dan doe ik aangifte.”

Een eventuele rechtszaak over dit boek zou een interessante testcase kunnen zijn, denkt Tinkebell. „Het is onze bedoeling om met deze uitgave het privacydebat aan te scherpen. Want veel wetten omtrent privacy op internet zijn nog helemaal niet gemaakt. Bovendien zijn de regels in elk land en in elke Amerikaanse staat weer anders. Stel dat een van de afzenders niet wil dat het boek wordt verkocht, dan zou hij in al die verschillende landen moeten gaan procederen. Dat maakt dit kunstwerk juridisch interessant. Het is een precedent.”

Maar ook voor psychologen kan Dearest Tinkebell interessant zijn, denkt Vogelaar. „Er is nog nooit echt onderzoek gedaan naar haatmails. In dit boek staan er meteen duizend. Daar kan een wetenschapper een leuk onderzoek op baseren.”

Ze is blij dat haar werk er nu op zit,

zegt Vogelaar. „Het was een rare tijd. Drie maanden lang had ik geen sociaal leven omdat ik de hele dag achter de computer zat. Je kijkt naar het sociale leven van mensen met wie je helemaal niets hebt. Ik had echt het gevoel in een wereld te zijn beland waar ik helemaal niet wilde zijn. De oksel van internet.”

Tinkebell leest de mails, nu ze in het boek staan, pas voor het eerst. Maar ze doen haar weinig, zegt ze. „Deze mensen raken mij niet. Ik vind ze zo volkomen oninteressant.”

Heeft ze zich eigenlijk ooit echt bedreigd gevoeld, de afgelopen jaren? „Nee”, zegt ze dan, heel resoluut. „Als ik bang zou zijn, dan zou ik dit soort werk niet maken. Dan zou Tinkebell niet bestaan.”

Het boek ‘Dearest Tinkebell’ van Tinkebell en Coralie Vogelaar verschijnt in een genummerde oplage van duizend exemplaren en wordt zaterdag 16 mei gepresenteerd in Paradiso (14u) en De Balie (16u) in Amsterdam. Dit weekeinde is het boek verkrijgbaar bij de stand van Torch Gallery op Art Amsterdam. Prijs: 25 euro. Inl: www.torchgallery.com, www.tinkebell.com, www.coralievogelaar.com

Wilt u reageren? Mail dan naar cs@nrc.nl onder vermelding van ‘haatmail’, of schrijf een brief naar naar CS, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam