Monumentaal

Hij wil niet met zijn naam in de krant. „Noem me maar J.P. te A. Ik heb het te druk met mijn werk om aan promotie te doen. Ik lig niet op de atelierroute en ik heb geen netwerken. Nooit gehad ook”, zegt hij.

Bij het uitspreken van „netwerken” trekt hij een vies gezicht en begint met drukke gebaren een net van lucht te weven. Wanneer het is voltooid, smijt hij het in de hoek van de kamer en wrijft opgelucht in zijn handen. Wanneer hij niet kijkt, prop ik het net in mijn tas. Je weet nooit wanneer het van pas komt.

J.P. te A. maakt zijn eigen films door met viltstift op plakband te tekenen en het resultaat net zo lang te projecteren tot de tape begint te smelten. De kleuren gaan langzaam maar zeker brandplekken vertonen en het is alsof het filmdoek zelf vlam vat. Het blijft spannend hoe en wanneer deze films precies aflopen.

J.P. wil me zijn levenswerk laten zien, een sculptuur waar hij al tientallen jaren aan werkt. Hij gaat me voor op een smalle, steile trap. De stoffige treden, besprenkeld met punaises, sigarettenpeuken, elastiekjes, lange haren, munten, papiersnippers, en een dode bij, leiden naar een hoge zolder die volledig in beslag wordt genomen door een berg afval. Alle papieren en plastic verpakkingen die J.P. de afgelopen decennia gebruikte, zijn hierin verwerkt.

Hij haalt een leeg geknepen tube tandpasta uit zijn zak en begint er de juiste plek voor te zoeken. Hij houdt de tube met gestrekte arm voor zich uit en knijpt met zijn ogen, om de tube uiteindelijk tussen een bierflesje en een strak opgerold melkpak te lijmen.

J.P. is niet zuinig met de lijm, die dik langs de berg druipt. Het geheel doet denken aan een druipsteengrot. „Het is een zelfportret”, verklaart J.P.

Ik vraag hem maar niet hoe hij denkt dit werk ooit nog buiten te kunnen krijgen. Het zou in blokken gesneden moeten worden, ter grootte van de zolderdeur. Of hij zou de berg in ragfijne plakken kunnen snijden, om ze als X-rays op lichtbakken te presenteren. Net wanneer ik hem mijn plannen wil voorstellen, begint J.P. over het belang van de monumentale kwaliteiten van zijn sculptuur.

De laatste keer dat ik het woord ‘monumentaal’ hoorde uitspreken, was meer dan vijftien jaar geleden op de kunstacademie. Ik kreeg les van een man die weigerde mijn werk te bekijken omdat ik het presenteerde op een monitor. Iets wat digitaal is kan onmogelijk kunst zijn, meende hij.

De zoldervloer begint te kraken onder het woord ‘monumentaal’. Een kier tussen de stoffige planken wordt breder en breder en ik raak steeds verder van J.P. verwijderd. Ik kan hem al bijna niet meer verstaan. Ik roep tegen hem dat we een presentatie kunnen organiseren op zijn zolder. Hij zou zijn films moeten vertonen, en zijn levenswerk aan de wereld moeten openbaren. J.P. houdt zijn hand aan zijn oor, maar mijn stemgeluid gaat verloren in het ravijn dat tussen ons ligt.

Ik probeer het netwerk dat hij eerder in de hoek smeet over hem heen te slaan om hem als een spartelende vis binnen te halen. Maar het haalt de overkant niet.

J.P. lijkt het niet veel te doen. Hij stommelt de trap af, om een tomatensoepblik schoon te spoelen. Hij staat te popelen om er een plek voor te vinden.