Komt een negerin bij de dokter

In literair opzicht stelt Alleen maar nette mensen weinig voor en is de bekroning ervan met de Gouden Uil een belediging voor literatuurliefhebbers, vindt Stine Jensen.

Robert Vuijsje is ineens overal. Verhit debatteert men over het vermeende ‘seksisme’ en ‘racisme’ in Alleen maar nette mensen. Dat boek gaat over een Joodse jongen die eruitziet als een Marokkaan en op zoek is naar een intellectuele negerin (hersens, maar cup 95F, ‘dikke bil’) die zich maar niet laat vinden. Sommige vrouwen zijn boos omdat zij zich niet herkennen in de stigmatiserende beelden van ‘de zwarte vrouw’ die Vuijsje schetst ; anderen vinden juist dat ze een interessant kijkje krijgen in een bevolkingsgroep (negers) en een wijk van Amsterdam (de Bijlmer) die ze nog niet kenden (Hanneke Groenteman in het tv-programma Vrouw en Paard). Het feministische platform Women Inc. organiseerde zelfs een debat met Vuijsje over de stereotypering van de zwarte vrouw in zijn boek.

De beeldvormingskwestie vindt men zó belangrijk dat dagbladen en tijdschriften zelfs overgaan tot het afdrukken van opinieartikelen van mensen die schrijven dat ze het boek nog niet gelezen hebben, maar alvast kwijt willen hoe leuk ze het vinden dat een witte man valt op ‘negerinnenbillen’ of hoe dom het is dat zwarte en witte vrouwen zich iets aantrekken van een boek dat toch duidelijk ‘roman’ op het omslag heeft staan.

Vuijsje zelf raakt er een beetje van in de war. Dan weer verdedigt hij zich door te stellen dat het om ‘fictie’ gaat, en dat hij heus zelf niet zo dom is als zijn personage David, dan weer vindt hij dat hij laat zien hoe mensen ‘echt’ praten als er niemand bij is, en dat hij niet zo ‘politiek correct’ is. Hij zou zich beter kunnen verdedigen door te stellen dat zijn boek niet zozeer over zwarte vrouwen gaat als wel over een Joodse bruine man met een pathologische obsessie voor negerinnen. De volgende vraag zou dan natuurlijk zijn of het boek daarover werkelijk iets interessants te melden heeft. En dat staat of valt dan weer met de vraag of de hoofdpersoon dan wel de schrijver, zich reflexief verhoudt tot zijn obsessie.

Tot nu toe overschaduwt de beeldvormingskwestie de vraag naar de literaire kwaliteit van Alleen maar nette mensen. Literaire critici zijn opvallend stil in het debat. Ik zou graag zien dat een jurylid van de Gouden Uil een toelichting gaf bij de beslissing Vuijsjes boek uit te roepen tot het belangrijkste literaire werk van het jaar. Vuijsje ontving de Gouden Uil met een stilistisch argument betreffende zijn ritmische dialogen: „Vuijsjes dialogen swingen als een Afrikaanse tiet, het ritme zit strakker dan een negerinnenbil in een te kleine legging met luipaardmotief.” Ook werd hij genomineerd voor de prestigieuze Libris Literatuurprijs; het rapport sprak van een „onorthodoxe en gewaagde vertelling” en een „prachtige vorm en inhoud”. Critici als Pieter Steinz en Elsbeth Etty waren al eerder onder de indruk van de originaliteit omdat eigentijdse communicatie werd opgenomen, zoals msn- en sms-dialogen. Alsof Kluun nooit is gedebuteerd.

Laten we even zo’n briljante dialoog in heel eigentijdse msn-taal bekijken.

David zegt: Aloha

Naomi86 zegt: Hi

David zegt: Alles goed?

Naomi86 zegt: Ja hoor, en met

jou?Deze chat- en sms-sessies en andere ‘inhoudsloze dialogen’ en ‘half afgemaakte gedachten’ zouden juist zo raak zijn omdat ze laten zien dat de ‘moderne tijd’ is doorgedrongen (juryrapport Libris Literatuurprijs). Zo lust ik er ook nog wel een. Natuurlijk, het boek is vlot geschreven. Maar zou je dit boek ooit een tweede keer willen lezen vanwege de stijl? Staat er ook maar één fraaie beeldspraak of ontroerende, voortreffelijke zin in?

Laten we eerlijk zijn. Alleen maar nette mensen laat zich in stilistisch opzicht het beste vergelijken met de vlotheid van Kluuns Komt een vrouw bij de dokter: man neukt lekker veel in de rondte, gaat flink vreemd, en zegt het allemaal ‘eerlijk’ hardop. Heerlijk controversieel en lekker interessant. Eigenlijk doet het me sterk denken aan Heleen van Royens Godin van de Jacht, de vrouwelijke pendant die, heel provocatief, als witte vrouw op zoek gaat naar een lekkere grote zwarte negerlul. Als Vuijsje een ‘treffende zedenschets van bepaalde milieus’ heeft geschreven, dan hebben Kluun en Van Royen dat natuurlijk ook en moeten zij ogenblikkelijk met terugwerkende kracht genomineerd worden voor de AKO, de Libris en de Gouden Uil.

De vraag die ertoe zou moeten doen, is wat mij betreft dus niet of Alleen maar nette mensen ‘fictie’ is of niet, maar of het ‘goede’ fictie is. Dat heeft te maken met stijl en met inhoud. Alleen maar nette mensen had een beregoed boek kunnen zijn. Wat het boek inhoudelijk interessant had kunnen maken, is het aspect van een Jood die eruitziet als een Marokkaan en daarom een buitenstaander is. Je zou zelfs ook kunnen stellen dat Vuijsje een stereotype ontkracht: Joodse mannen – zie David – kunnen heel dom zijn, en dik, en hoeven niet over te lopen van verbaal talent of zelfreflectie. Misschien dat hij – David – daarom zelf ook denkt dat hij meer kans maakt met een negerin: in zijn eigen sociale klasse komt hij niet aan de bak. Maar omdat David uit een intellectueel milieu komt, is hij op zoek naar een intellectuele negerin. Wat een intellectuele negerin nou precies zou moeten met een domme jodenjongen als David wordt niet duidelijk. Over die Joods-Marokkaanse identiteitscrisis gaat het maar een paar bladzijden, en helaas pas echt overtuigend op het einde. De ‘ironie’ die het boek tot een satirische zedenschets zou moeten verheffen, is dan allang doodgeslagen door bladzijdenlang vermoeiende neukpartijen. Met negerinnen.

Vrijwel de enige, terechte kritische opmerking over de literaire waarde van Alleen maar nette mensen kwam van de critica en schrijfster Marja Pruis. Zij schreef in De Groene Amsterdammer: „Vuijsjes stijl doet nogal klompendanserig aan. Zijn boek is goed geschreven zoals boodschappenlijstjes goed zijn geschreven.” Alleen maar nette mensen is ongetwijfeld ‘geëngageerd’, onmiskenbaar een boek over ‘de multiculturele samenleving’ volgens het motto ‘integratie door penetratie’, maar is het een goede roman? Kom nou, daarvoor stelt het boek in literair opzicht echt te weinig voor. Het is misschien een ‘geinige’ belediging voor zwarte vrouwen en het intellectuele milieu in Oud-Zuid, maar bovenal is de bekroning met de Gouden Uil en de nominatie voor de Libris een belediging voor alle literatuurliefhebbers.

Stine Jensen is schrijfster en medewerkster van NRC Handelsblad.