Je gezin heeft honger, de vis is op ? wat moet je?

Als je in Somalië woont ben je arm, heb je schulden en is het leven gevaarlijk.

Piraterij is een manier om te daaraan ontsnappen. Zelfs opgepakt worden kan helpen.

Lang hoeft Willem-Jan Ausma er niet over na te denken. Nee, zó’n cliënt heeft de Utrechtse strafrechtadvocaat niet eerder verdedigd. Een cliënt die maar wat blij is dat hij in hechtenis zit. Die prima kan leven met zijn dreigende veroordeling. Die de taal voor geen woord spreekt. En die al meer dan vier maanden geen contact meer heeft met zijn gezin.

Maar, zegt Ausma, „voor het eerst in zijn leven kan hij op een normale wc zitten”. En vooral: „Voor het eerst in zijn leven is hij in een veilige omgeving. Na zijn vrijlating wil hij een opleiding volgen en zijn vrouw en kinderen laten overkomen. Hij weet dat hij niet zomaar uitgezet kan worden. Hij vindt ons land geweldig.”

Ausma verdedigt Yusuf (24), uit het door clanstrijd en hongersnood ontwrichte Somalië. En hij doet dat in een uitzonderlijke rechtszaak, die maandag begint. In Rotterdam worden dan voor het eerst op Nederlandse bodem buitenlandse verdachten berecht voor zeeroverij.

Het gaat om vijf Somaliërs, die ervan worden beschuldigd dat zij op 2 januari hebben geprobeerd om in de Golf van Aden het vrachtschip Samanyolu te kapen. De bemanning van de Samanyolu bestond uit zeven Turken en een Azeri, maar het schip voer onder de vlag van de Nederlandse Antillen. Dat maakt het incident tot een Nederlandse zaak. De Deense marine, die de Somaliërs had opgepakt, droeg de verdachten over.

Verzoeken van deze krant om de Somaliërs te mogen spreken, werden niet ingewilligd door de huizen van bewaring waar ze vastzitten. Maar NRC beschikt wel over het dossier van het strafrechtelijk onderzoek, dat het landelijk parket op 18 februari begon onder de codenaam Cygnus. Het dossier is verkregen via advocaat Haroon Raza, die hoopt dat publicitaire aandacht gunstig is voor zijn cliënt Osman (1978). Het bevat onder meer verslagen van verhoorsessies.

Wat direct opvalt: alle vijf verdachten erkennen dat ze van wal staken om een schip te kapen. „Ik zal eerlijk zijn, ons doel was zeeroof te plegen”, zei bijvoorbeeld Yusuf tijdens zijn eerste verhoor. Bij dat verhoor was wel een tolk aanwezig, maar nog geen advocaat. Alle verdachten hebben inmiddels hun eigen piketadvocaat.

De piraten bevestigen ook dat ze aan boord kalasjnikovs en een antitankwapen hadden. En een ladder, de standaarduitrusting voor het enteren van schepen. De verdachten hebben op 2 januari flink gebruik gemaakt van hun wapentuig, aldus de getuigenverklaringen.

De Somaliërs zeggen echter dat zij éérst werden aangevallen. Ze beweren dat ze van hun piratenplan afstapten toen ze motorpech kregen. Drie dagen dobberden ze rond, het proviand – dadels en koekjes – raakte op. Op de derde dag kwam toevallig de Samanyolu langs. Ze besloten het schip om hulp te vragen.

Door een volgend toeval raakte precies op dat moment de motor weer aan de praat. „We zijn het schip genaderd”, zegt Abdirisaq (1977), „en hebben de aandacht van de bemanning getrokken door onze handen omhoog te doen. Opeens werd er vanaf het schip geschoten.” Ja, toen moesten ze natuurlijk wel terugschieten, legt Abdirisaq uit. Maar: „Alleen om te waarschuwen.”

De opvarenden van de Samanyolu zeggen dat zij hun molotovcocktails en vuurpijlen pas gebruikten nádat de piraten waren begonnen met schieten. Matroos Deniz Ivdik (32), een van de Turkse bemanningsleden, heeft verklaard dat hij een molotovcocktail in het piratenbootje wist te gooien. Het bootje vatte vlam, de opvarenden sprongen in zee, vervolgens explodeerde het bootje. De Somalische drenkelingen werden uit het water gevist door het toegesnelde Deense fregat Absalon.

Advocaat Raza stelt dat de zeelui van de Samanyolu „wat hebben uit te leggen”. Zijn cliënt heeft verklaard dat de Somaliërs erin zijn geluisd. De bemanning wenkte ons dichterbij te komen, aldus Osman. „We dachten dat ze ons begrepen en ons wilden redden. Toen wij dichterbij kwamen is er een brandende fles in ons bootje gegooid.”

Advocaat Ausma daarentegen zegt dat „de feiten voor zich lijken te spreken”. De bemanning van de Samanyolu en de betrokken Deense marinemensen moeten nog gehoord worden, maar volgens hem „zien hun verklaringen er geloofwaardig uit”. Hij vindt: „Met ontkennen maak je jezelf ongeloofwaardig.” Ausma hoopt vooral „begrip” te kweken voor wat hij omschrijft als „een wanhoopsdaad” – en zo een milde straf voor zijn cliënt los te krijgen.

Over hun beweegredenen zijn de vijf Somaliërs eenduidig. Verarmde vissers zijn ze, tot piraterij gedwongen door de armoede en de schulden die ze zijn aangegaan om hun vrouw, kinderen en ouders te onderhouden. Mannen van wie het verhaal naadloos aansluit bij dat van de honderden, zo niet duizenden piraten uit Somalië, een na achttien jaar burgeroorlog, clanstrijd, islamitisch extremisme en hongersnood totaal mislukte staat .

„Ik deed dit om geld te verdienen om mijn schulden af te lossen, en om mijn familie te redden”, zei Sayid (1970) tijdens zijn verhoor. „Als ik iets te eten had gehad, dan was ik nooit tot deze daad gekomen.” „De grote vissersboten maken het onmogelijk voor de kleine vissers om nog iets te verdienen”, zei Yusuf. Sinds de ineenstorting van het centraal gezag in Somalië jagen Europese en Aziatische vistrawlers op inktvis, krab en tonijn in de Indische Oceaan en de Golf van Aden. „Ik word er ook emotioneel van. Het is broodroof.” Na deze opmerking noteert de rechercheur die Yusuf verhoort: ‘Verdachte begint kortstondig te huilen.’

Waarnemers wijzen op de hoge organisatiegraad van de piraterij bij Somalië. De zeerovers, dus de mannen en jongens die de schepen enteren en opvarenden wekenlang gijzelen, worden in de regel aangestuurd door bendeleiders met contacten in het buitenland. In ruil voor een deel van het losgeld – al snel een miljoen dollar per overmeesterd schip – voorzien corrupte zakenlui de piratenbendes van navigatieapparatuur en nieuwe wapens. Volgens de Verenigde Naties zijn ook lokale autoriteiten in Somalië betrokken bij de zeeroverij.

Yusuf zegt over de mogelijkheden van het snelle geld gehoord te hebben „op de radio en in het dorp, iedereen praat erover”. Yusuf noemt „iemand met de bijnaam Boyah” – mogelijk doelt hij op Abshir Boyah, een 43-jarige piratenleider die deze week in The New York Times verklaarde dat hij verantwoordelijk is voor wel vijfentwintig kapingen. Boyah zou lid zijn van een mysterieus piratenoverleg met de naam ‘De Corporatie’.

Abshir Boyah woont in Gaarowe, hoofdstad van Puntland. Dat is de semi-autonome regio in Noord-Somalië, waar veel piraten actief zijn. Garoowe geldt als logistiek knooppunt, maar ook als stad waar de piraten hun geld stuksmijten aan dure auto’s, nieuwe huizen en mooie meisjes.

Als de vijf Somaliërs worden veroordeeld, zal matroos Ivdik van de Samanyolu daar waarschijnlijk niet rouwig om zijn. „Ik heb slapeloze nachten en ik raak nog steeds af en toe in paniek”, verklaarde Ivdik tijdens zijn verhoor. Ali Tenes, de 32-jarige kok van de Samanyolu: „Omdat het mijn broodwinning is kan ik niet stoppen met werken, maar ik ben verschrikkelijk bang. Ik ben schuw geworden.”

Advocaat Ausma zegt dat zijn cliënt „inziet dat er geen vrijspraak voor hem in zit.” Toch kijkt Yusuf al over de horizon, naar zijn leven als vrij man in Nederland. „Hij ziet het hoopvol tegemoet.”