Hoor de muziek van het onzichtbare

Na vijftig jaar muziek luisteren, waarvan dertig jaar professioneel, neemt muziekredacteur Kasper Jansen afscheid. „Idealiter is een recensie met woorden geschreven muziek.”

De opera ‘Saint François d’Assise’ van Olivier Messiaen in de enscenering van Pierre Audi (2008): Sint Franciscus (Rod Gilfry) laat in navolging van Jezus de kinderen tot zich komen Foto Ruth Walz Rod Gilfry (Saint François), Tom Randle (Frère Massée), kinderen Walz, Ruth

Het beroep van recensent, zoals ik dat dertig jaar als muziekredacteur heb uitgeoefend in NRC Handelsblad, is een der merkwaardigste ter wereld. De werkwijze bij het recenseren is immers in strijd met vrijwel alle normen en waarden die algemeen gebruikelijk zijn in de maatschappij. De recensent is tegelijkertijd opsporingsambtenaar, officier van justitie, advocaat en rechter. Tegen zijn hoogstpersoonlijk oordeel – negatief of lovend – is geen beroep mogelijk.

Dat is allemaal wel op zijn scherpst gezegd, alsof het bedrijven van kunst iets potentieel crimineels is, alsof de kunst permanent in het beklaagdenbankje zit. Het tegendeel is vrijwel altijd het geval. In de dagelijkse praktijk is de recensent een echte en serieuze kunstliefhebber die op zoek is naar belangwekkende gebeurtenissen op het hoogste niveau. De normaal verfoeide vermenging van feiten en persoonlijke observaties bestaat overigens ook in de sportjournalistiek.

Zowel de rol van de professionele kunstminnaar die lof en waardering uitdeelt, als van de kunstpolitie die zich bezighoudt met voortdurende kwaliteitscontrole, legt uitzonderlijke verplichtingen op. De krantenlezer wil goed en degelijk worden geïnformeerd. Kennis, ervaring, een gefundeerd en genuanceerd oordeel, bovendien consistent en consciëntieus, zijn daarvoor vereist. Ik mag hopen dat ik daarin meestentijds ben geslaagd.

De recensent past vaak milde bescheidenheid, maar hij dient ook te beschikken over moed en zelfverzekerdheid. De plaats van de kunstbeoordelaar is niet bovenop de antiek-Griekse Parnassus, waar de kunstgod Apollo en zijn muzen huizen. De vrije kunst en de autonome kunstenaar gaan tenslotte boven alles. De recensent bevindt zich wat lager in de hiërarchie op die kunstberg, zij het wel met een helder uitzicht op die top.

Het vormen van een oordeel is een kunst op zichzelf. Steeds is het van belang om tijdens een uitvoering de voorlopig gevormde mening ter discussie te stellen, om telkens opnieuw met jezelf in debat te gaan. Soms heb ik al na de eerste maat een bijna onwrikbaar lijkend idee. Maar dan moet alles nog gebeuren, in opbouw en uitwerking. In een concert met verschillende stukken op het programma, met een orkest, een dirigent en een solist die tot gezamenlijke prestaties moeten komen, is dat extra lastig.

Nog meer complicaties zijn er bij een operavoorstelling, waarbij een regisseur met decor, kostuums en situering in plaats en tijd ook een eigen concept presenteert. Een negatief of nuancerend oordeel vereist daar een nog veel meer afgewogen en op elkaar betrokken beschouwing van al die elementen in de voorstelling dan het ogenschijnlijk zo eenvoudige uitspreken van de hoogste lof.

Kennis van het verleden is bij het recenseren van concerten een lust – het schept waardevolle vergelijkingsmogelijkheden, essentieel voor een goed oordeel. Maar het is ook een last, vooral bij favoriet repertoire met een grote emotionele waarde. Neem Das Lied von der Erde van Mahler, dat ik al vroeg leerde kennen in de legendarische opname uit 1952 van Kathleen Ferrier en Julius Patzak bij de Wiener Philharmoniker o.l.v. Bruno Walter.

Die Ferrier-opname, vooral wegens het lange laatste lied Der Abschied, moet de mooiste plaatopname zijn uit de halve eeuw tussen 1950 en 2000. Hier wordt de essentie van het in het reine komen met de eeuwige cyclus van leven en dood tot in de kern geraakt. Dat gebeurt door het ideale samengaan van muziek en tekst in een indringende instrumentale en vocale uitvoering. Mahler heeft die helaas nooit gehoord. Maar wij wel.

Hoe kun je die onuitwisbare herinnering uit het hoofd zetten, als je bij een uitvoering van Das Lied von der Erde in de concertzaal zit? Dat kan niet, maar dat moet toch, want de eenvoudige constatering dat het deze keer helaas niet zo is als het vroeger wel was, heeft geen enkele zin. Dus moet de recensent op een ander niveau vooral actief op zoek naar de waardevolle aspecten en de eigen verdiensten van zo’n uitvoering.

Het mooiste om na te streven is het zo

verwoorden van een recensie dat de lezer door beschrijvingen en woordgebruik zich een idee kan vormen hoe de muziek klonk. Wat helpt is een imitatie van muzikale vormen, zoals alliteratie en ritmiek. Idealiter bevat een muziekrecensie met woorden geschreven muziek.

Dat is zeker noodzakelijk bij recensies over Wagner, die zelf in zijn eigen teksten en noten niet anders deed. De opening en het slot van een recensie hebben dezelfde beslissende functie als het begin en het eind van een muziekstuk. Vorm is van het grootste belang, ook al wordt die slechts een enkele keer herkend. Zo schreef ik eens een lang interview met Riccardo Chailly, een zeer analytische dirigent die onmiddellijk zag dat het stuk de sonatevorm had.

De recensent van een krant

maakt het in de kunst niet als enige uit. Hij heeft collega’s bij andere kranten met andere meningen en inzichten. En ook het publiek heeft een oordeel. Uiteindelijk ontstaat altijd over een orkest, een dirigent, een solist of een muziekstuk een soort communis opinio. In dat deels openbare debat heeft de recensent wel een functie, maar hij kan de conclusies niet blijvend naar zijn hand zetten.

Er is nog een ander, zeer subjectief probleem. Wat vorig jaar nog goed, prachtig, interessant en opzienbarend was, is dat dit jaar vaak niet meer. De waardering golft heen en weer. De meeste muziekliefhebbers, en de meeste recensenten, haken naar verandering, een nieuwe interpretatie, een andere, nog intensere uitvoering van hetzelfde stuk, het openen van een onverwacht vergezicht. Want hoe mooi een uitvoering ook is, die eindeloos exact herhalen is de dood van de levende muziekcultuur.

De bedrijfstak klassieke muziek is in de laatste decennia volkomen van karakter veranderd – en daarmee de muziekjournalistiek. Het volume aan klassieke muziek – live in zalen, op cd en dvd, op radio en tv – is geëxplodeerd. Het begon met de koffieconcerten en breidde zich over het hele land uit naar talloze nieuwe zalen, zaaltjes, lege kerken en verbouwde boerenschuren. Het eindigt nu voorlopig met het massaal downloaden van klassieke muziek via internet.

Oude muziek, eigentijdse muziek en het ‘authentieke’ musiceren kwamen erbij. De opera en tal van vormen van muziektheater zijn spectaculair in kwaliteit gestegen. Het seizoen neemt geen einde meer, het Amsterdamse Concertgebouw werd de drukst bezochte concertzaal ter wereld. ‘Vroeger deden we ongeveer alles, nu doen wij bijna niets meer’, verzucht ik vaak. Wegens ruimtegebrek heeft de verslaggeving van al die interessante muzikale gebeurtenissen veel representativiteit verloren.

Dat leidt tot akelige keuzes. Het belangrijkste kun je niet negeren, maar juist het leuke, het aardige, het andere, het nieuwe en het jonge moet toch worden gesignaleerd. Recensies, vroeger doorwrochte musicologische beschouwingen, werden korter en journalistieker van aard.

Aan de andere kant: kunst – en zeker ook klassieke muziek – is veel prestigieuzer geworden en steeds vaker voorpaginanieuws. Necrologieën van Karlheinz Stockhausen, Luciano Pavarotti en Mauricio Kagel stonden de afgelopen jaren prominent op de voorpagina van deze krant. Op de dag voor Pasen vorig jaar opende NRC Handelsblad met een verhaal over de allereerste Matthäus Passion van Bernard Haitink in Boston.

Recensenten wordt vaak grote macht toegeschreven: in de krant kan je immers iemand maken of breken – zegt men. In de praktijk is het echter nauwelijks mogelijk om iets veranderd te krijgen, om een echt beslissende invloed te hebben, zelfs niet met kracht van argumenten.

Wat ik via de krant bij De Nederlandse Opera wel voor elkaar heb gekregen is het redden van de decors van Der Ring des Nibelungen, de enkele malen uitgevoerde productie van regisseur Pierre Audi en ontwerper Georg Tsypin uit de jaren 1997-2005. De productie was uniek in de uitvoeringsgeschiedenis van de Ring: niet eerder waren voor de vier delen zulke grote en geheel van elkaar verschillende decors gebruikt.

Het kon toch niet zo zijn dat in 2005 na de laatste voorstelling van elke Ring-opera die spectaculaire en immense decors rechtstreeks naar de schroothoop gingen? Artistiek directeur Pierre Audi en zakelijk directeur Truze Lodder schetsten de problemen. De decors waren deels versleten, een jarenlange opslag was buitengewoon duur en bewaren betekende automatisch de beslissing om de productie nog eens te herhalen, ook buitengewoon kostbaar. Uiteindelijk besloten ze toch tot bewaren voor een nieuwe Ring-serie in 2013, als de tweehonderdste geboortedag van Richard Wagner wordt herdacht. Ik hoop erbij te zijn.

Tevergeefs heb ik in recensies en tijdens interviews gepleit voor een anders geproportioneerd slot van de Matthäus Passion. Het koor Wir setzen uns mit Tränen nieder wordt sinds de historische plaatopname van Nikolaus Harnoncourt uit 1970 door vrijwel iedereen uitgevoerd in vlotte tempi, vaak zelfs dansant van karakter. Mij lijkt het passender en ootmoediger om de expressie treuriger te maken, maar ook om elk van de drie herhalingen telkens iets langzamer en zachter uit te voeren, eindigend in een pianissimo. Dan ontstaat een soort uitzoom, een retrospectief, waarbij men in gedachten al het voorgaande nog eens overziet.

Er is daarvoor, naast het emotionerende effect, ook een sterk musicologisch argument. Herhalingen waren in de baroktijd toch aanleidingen voor variaties: ze mochten nooit precies hetzelfde klinken, de musicus moest zelfs iets persoonlijks toevoegen aan de voorgeschreven noten van de componist. Riccardo Chailly vond het een interessante gedachte, maar deed er niets mee. Jos van Veldhoven van de Nederlandse Bachvereniging schoof het idee meteen terzijde.

Ik heb inmiddels meer dan

een halve eeuw geluisterd naar muziek. Het begon met de radio en platen. Daarna was er zeer frequent en fanatiek concertbezoek, vaak met eigentijdse muziek: Berio, Maderna, Stockhausen, Andriessen. De laatste dertig jaar luisterde ik professioneel.

Ongelooflijk veel moois, schitterends, enerverends, aangrijpends en vervoerends heb ik gehoord in concertzalen en gezien in operatheaters. Muziekredacteur zijn van deze krant was een permanent feest. Daarvoor stak ik mij – ook op dagen met alleen bureaudienst – vanzelfsprekend altijd in uitgaanskleren: een net pak, een kleurig strikje.

Het luisteren naar zóveel muziek moet mij tot een ander, hopelijk beter mens hebben gemaakt, al is dat niet aantoonbaar omdat er van mij ter vergelijking geen niet-muziekkloon bestaat. Dus zoek ik naar beslissende ervaringen, ook voor mij persoonlijk uitzonderlijke momenten. Daarvan zijn er vele, maar de vorig jaar in Amsterdam uitgevoerde opera Saint François d’Assise van Olivier Messiaen komt mij nu het eerst voor de geest.

Het jaar daarvoor had ik in Assisi de kerk met het graf van Sint Franciscus gezien, zijn relieken: een bruine pij en sandalen. Nooit heb ik met zoveel innerlijke overtuiging het begin van een recensie geschreven: „Sint Franciscus is in zijn navolging van Christus de sympathiekste aller heiligen. Namen pausen, bisschoppen en andere christenen maar eens een voorbeeld aan zijn nederigheid en menslievendheid, zijn armelijke levensstijl, zijn kinderlijke vreugde over de vogels die vliegen tussen aarde en hemel en de lof zingen van de wonderen van Gods schepping.”

Messiaen schreef met Saint François d’Assise een nieuw, muzikaal bijbelboek. Het voor mij beslissende moment in Saint François d’Assise is de verschijning van de Engel: ‘Hoor deze muziek die het leven ophangt aan de toonladers van de hemel, hoor de muziek van het onzichtbare.’ Aarde en hemel overlappen elkaar, het aardse leven is bij Messiaen een voorafschaduwing van het hemelse. Ik ben niet zweverig. Juist wie met beide benen op de grond staat, kan reiken naar het hogere.

Mijn persoonlijkste stuk was dat over het langzame en gedragen zingen van psalmen op hele noten in de Oude Kerk in Putten. Daar kerkten ooit mijn vader en mijn grootvader, daar speelde mijn neef Kasper Jansen decennia lang op het orgel. Daar, in die Oude Kerk, werden in oktober 1944 na een razzia 660 Puttense mannen bijeengedreven, onder wie een aantal ooms van ons. Slechts 49 keerden na de oorlog terug en sindsdien is eigenlijk elke kerkdienst in de Oude Kerk in Putten een beladen herdenkingsdienst.

Het stuk dat mij ook achteraf het meest emotioneert is dat over de ontstaansgeschiedenis van het slotkoor van de Negende symfonie van Beethoven, de ode An die Freude met het ‘Alle Menschen werden Brüder’. Wat mij daarin zo aanspreekt – omdat ik in een sfeer van strenge vrijzinnigheid ben opgevoed – is het grenzeloze idealisme bij het samengaan van wereldse en spirituele vernieuwing. Die zal leiden tot een nieuw Arcadië, een hemels paradijs op aarde.

Schiller heeft helaas het originele slot van An die Freude geschrapt. Het was een visioen van een betere wereld naar antiek-Grieks model zowel op aarde als in de hemel: een eind aan tirannieke machtsuitoefening en de afschaffing van de hel door alle zondaars te vergeven.

Die classicistische verheerlijking van het oude Griekenland culmineerde bij Schiller in het nostalgische gedicht Die Götter Griechenlandes met de frase ‘Schöne Welt, wo bist du?’ Het is die mooie, betere wereld die zal terugkeren bij de realisering van het ‘Alle Menschen werden Brüder’.

Lees de complete verhalen over de Oude Kerk in Putten en de Negende symfonie van Beethoven op nrc.nl/kunst

    • Kasper Jansen