Het had ook Rambo kunnen zijn

In het ouderlijk huis van de toekomstige schrijver viel het licht van de cultuur zelden binnen. Toen kwam Shakespeare voorbij.

Omstreden portret van Shakespeare, kunstenaar onbekend, 1610. This is a handout photo copy of the painting "A portrait of an unknown gentleman, known as the Janssen Portrait," by an Unknown Anglo-Netherlandish artist, c.1610. William Shakespeare was among the greatest of writers, yet also quite mysterious. "Searching for Shakespeare," a scholarly and enjoyable new show at the National Portrait Gallery in London, clears away some of that haze. Source: Folger Shakespeare Library, Washington via Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

De opbeurende zonnestralen van de hoge cultuur drongen niet mijn ouderlijk huis binnen. Er hingen niet alleen gordijnen voor, hoge cultuur zei ons niets. Als er al iets in de buurt kwam dan was het amusement en spektakel in de vorm van soundmixshows en Algerijnse zwijmelliedjes. Maar hun licht was op z’n best schel.

Gelukkig kwam ik door een stom toeval in aanraking met het werk van Shakespeare – nog net voordat de puberteit zijn verwoestende intrede deed, die fase in je leven waarin je voor jaren immuun bent voor alles wat riekt naar kunst en literatuur. Was ik een paar jaar later op Shakespeare gestuit, middenin mijn hormonale ontbolstering, dan had ik er vast en zeker geen acht op geslagen. Te veel woorden, te weinig testosteron. Ik was als puber te druk met andere zaken zoals puistjes uitknijpen en een uitweg vinden uit de geestelijke verwarring.

Daarnaast gebeurden er in de buurt waar we woonden zaken die heel wat gevoelige zielen tot wanhoop zouden hebben gebracht maar die ik met een zekere mate van onverschilligheid doorstond. Het was diezelfde onverschilligheid die voorkwam dat ik in de buurt kwam van cultuur, toneel of klassieke muziek. Ik wilde wel maar keek wel uit me eraan te bezondigen. Voordat je het wist was je een watje, een slappe lul, een aansteller.

Niet een omgeving om even rustig Anna Karenina te gaan zitten lezen. Je kon opgepakt worden voor een overval die je niet had gepleegd of je kreeg de politie aan de deur omdat een familieruzie een beetje uit de hand was gelopen. Het kabelsnoer van de televisie werd voor meer zaken gebruikt dan aansluiting zoeken op de wereld alleen. Rode striemen tellen was een soort van spelletje. Wie de meeste had won.

Dit gebeurde allemaal voor mijn neus

en hoewel ik erdoor aangedaan was, wist ik heel goed het masker van de onverschilligheid op te zetten om een beetje afstand te houden. Tussen die opeenvolging van incidenten heen – ik brak mijn linkerbeen en rechterbeen in één jaar – was er ook afleiding in de vorm van muziek en dans.

Zo hingen er op een dag posters in de stad voor een optreden van Cheb Khaled. Die was toen en nog steeds – al werkt zijn stem de laatste tijd wat tegen – de koning van de raï-muziek, pretentieloze zwijmelmuziek uit Algerije. Die artiest kende ik wel, want mijn vader had bandjes van deze besnorde troubadour. Die draaide hij in de auto op weg naar Pijnacker, waar hij konijnen kocht die hij een paar dagen later, nadat ze waren doorvoed en door ons bijna doodgeknuffeld, met een paar snelle halen van het mes slachtte.

Een paar dagen nadat ik de posters voor het eerst had gezien, verdween mijn vader uit het huis – een van de zeldzame uitstapjes die hij maakte. Uitgerekend op de avond dat Khaled op ging treden. Hoewel hij dat met niet zoveel woorden zei toen hij thuis was gekomen, wist ik dat hij daar was geweest. Maar voor hem was het muziek om de muziek. Je hoefde er geen gedachten aan op te hangen. En het kwam al helemaal niet in zijn hoofd op om die muziek te delen met zijn kinderen, want daar waren al die hitsige liedjes die de goegemeente ertoe brachten het op een drinken te zetten, niet voor bedoeld. Mijn vader was dan misschien een cultuurdrager, maar er vloeide weinig van onze kant op.

We hadden thuis eens in het jaar een muzikaal hoogtepunt en dat was Eurovisie Songfestival. Vanaf het moment dat de Eurovisie-tune inzette, zaten we op het puntje van onze stoel, gingen languit liggen op de bank of namen plaats op de grond voor het zitmeubel. Iedereen had zijn persoonlijke favoriet. Ik herinner me een jaar dat Johnny Logan won en het jaar dat een Waalse won met J’aime, j’aime la vie. De puntentelling was een bloedstollende aangelegenheid. Ik heb er uitstekend in het Frans tellen van geleerd. Een keer deed er een Française mee met een Noord-Afrikaanse achtergrond en die was onmiddellijk onze favoriet. Ze werd tweede en we spraken er schande van.

Het Songfestival was toen ook al een politieke aangelegenheid. Mijn vader herinnerde zich de deelname van Marokko eind jaren zeventig, toen het land met nul punten naar huis werd gestuurd. „Hoewel ze wel de mooiste melodie hadden, de mooiste tekst en de mooiste jurk.”

Als de puntentelling was doorstaan en de Ieren hadden gewonnen of de Italianen, dan verdween de zon en werd het nacht en was het een jaar wachten voordat zich weer iets aandiende waar we ons aan konden vergapen.

Vlak voor mijn overgang naar de grote wereld, ook wel bekend als de middelbare school, zag ik de meest fantastische hybride van taal, spel, passie en humor die ik ooit had aanschouwd. Het kwam allemaal tot me via Veronica-televisie, dat volgens de wetten voor de publieke omroep eens in de zoveel tijd aan cultuur moest doen en daarom maar een gekostumeerde televisieversie van de Getemde Feeks had gepland.

Het was niet dat ik die avond

naar hoge cultuur had gezocht: ik had die avond net zo goed Jean-Claude van Damme kunnen treffen, of nog beter Rambo of de Ghostbusters, want die vond ik leuk. Maar dit was toch een tikkeltje anders.

Het begon al met die introductie van de film waarin een minstreel, een jongen in een te strakke panty tokkelend op een luit, vertelde dat er twee zussen waren in de stad – eentje beeldschoon, de andere lelijk. De beeldschone wilde elke man wel hebben. De lelijke, grove, vuilgebekte tante niet. Maar helaas had de vader besloten de schone jongere pas te laten gaan als de wat oudere, lelijke ook een man had gevonden en dus was getemd.

Als ik op die avond dat toneelstuk niet gezien had, had ik vast en zeker een intellectuele achterstand opgelopen. Volgens sommige mensen bestaat er niet zoiets als intellectuele achterstand, maar dat zijn ook vaak de mensen die zeggen dat Johan Cruijff een groot filosoof is. In één klap kreeg ik een uitdaging aangeboden, een wereldbeeld, een afleiding en een scholing in taalacrobatiek ineen. Het aanstekelijke van het stuk was dat het op een geraffineerde manier menselijke passies als begeerte, overmoed en afkeer wist te verenigen in een heldere, poëtische taal die op geen enkele manier gekunsteld aanvoelde, als je tenminste die minstreel in die te strakke panty even wegdacht. Ik kreeg er een kick van.

Het temmen van de feeks gaat over hoe een cynisch plan – de ene vrouw inpakken zodat een andere kan worden uitgepakt – eindigt in een overwinning voor de liefde. Die overwinning wordt niet alleen behaald door de eigen vooroordelen ten opzichte van de andere sekse op te heffen, maar vooral door de aannames over het leven als een cynische, machiavellistische onderneming met listige daden en een vaardige tong te doorbreken.

De Getemde feeks laat ook zien dat harmonieuze liefde een zelfgeschapen utopie is, die wordt gecreëerd te midden van ontgoocheling, malversatie en koude ‘Realpolitik’. Taal, begreep ik die avond, heeft het vermogen om het veranderde karakter van de mens te becommentariëren. De taal is ons commentaar bij de wereld. The rest is silence. Pas een aantal jaren later kwam ik erachter dat die Shakespeare meer dan één stuk had geschreven.

    • Abdelkader Benali