Halfdebiele muziekmarionetten

Veel van wat John Niven beschrijft in zijn sleutelroman over de platenindustrie is cliché. Maar dat maakt Kill Your Friends eens te meer tot een genadeloze afrekening.

Geri Halliwell, een van de Spice Girls, tijdens een optreden van de groep in Frankfurt in 1998 Reuters/Kai Pfaffenbach Gerri Halliwell "Ginger Spice" of the Spice Girls balances a platter during the bands performance in Frankfurt March 3. The concert is part of the band's world tour. GERMANY SPICE GIRLS Reuters

John Niven: Kill Your Friends. Prometheus, 303 blz. € 19,95

MySpace, illegaal downloaden, de concurrentie van computerspelletjes – gevraagd naar de deplorabele staat waarin ze verkeert, heeft de muziekindustrie steevast een waslijst verklaringen gereed. Maar wie John Nivens boek Kill Your Friends leest, vermoedt een dieper liggende oorzaak: de gapende morele leegte in het hart van de platenbusiness zelf, een wereld waarin coke snuivende brallers jarenlang megasalarissen verdienden terwijl ze geprefabriceerde rotzooi op het publiek loslieten. Niven pist op het graf van de majors – het is moeilijk het anders te omschrijven – en lijkt het haast uit te schreeuwen: ‘Dáárom, stelletje fuckers! Dáárom gaan jullie kolerebedrijven naar de kolere!’ En hij kan het weten: ruim tien jaar lang was hij zelf een van de ergste fuckers van het stel.

Midden jaren negentig, tijdens het hoogtepunt van de Britpop, was de auteur Artists & Repertoire-manager bij London Records. In theorie was hij verantwoordelijk voor het scouten van talent, de praktijk was het creatief declareren van verdovende middelen en prostituees. Niven wees Coldplay af, maar tekende wél playmobil-groepje The Mike Flower Pops, dat een hit had met een plastic interpretatie van Oasis’ ‘Wonderwall’. Maar hoewel Niven tot zijn neusgaten in de excessen zat, bezweert hij niet model te hebben gestaan voor zijn verteller, Steven Stelfox – ook A&R-manager, en een van de verwerpelijkste hoofdfiguren in de hedendaagse literatuur.

Stelfox is een racist en een seksverslaafde die beestachtig met vrouwen omspringt en bereid is over lijken te gaan om zijn positie veilig te stellen. Erger nog dan zijn moorddadigheid (althans: voor een muziekliefhebber) is zijn totale gebrek aan muziekgeweten. Stelfox is niet iemand die wil uitbrengen wat hij zelf leuk vindt, hij is iemand die de markt probeert te interpreteren. En die daarbij steevast het slechtst mogelijke denkt van de ‘muziekconsument.’ Kom dus niet bij hem aan met alternatieve rock, gemaakt door muzikanten met kunstzinnige intenties. ‘Echte mensen laat het koud, toch? Echte mensen brengen travertinmuurtjes en hoogrendementsdubbelglas aan in hun woningwethuizen, kopen vier platen per jaar en willen alle woorden kunnen verstaan.’

Het liefst werkt hij met een heuse popact. ‘Dat is zo verfrissend en oprecht. Een gladde semipedo van een manager komt je kantoor binnen banjeren met drie strakke 15-jarige sletjes aan zijn arm. [...] Geen probleem. We gaan er gewoon voor. Naderhand moet ik misschien wel nog een gesprekje hebben of we met Photoshop iemands tieten wat groter of steviger moeten maken. Maar wat ik níet hoef te doen, is in een triest flatje om drie uur ’s nachts zitten luisteren naar onmelodieuze B-kanten en wauwelen over, ik weet niet, de gitaarsolo’s van Tom Verlaine of zo.’

Nivens boek, dat doordendert als The Ramones op speed, is het hoogtepunt in een recente hausse aan voornamelijk Britse romans over de popwereld. Doug Johnstones The Ossians (Penguin, € 16,-) duikt in het Schotse indiecircuit, en laat zien – atypisch voor rockliteratuur – wat er gebeurt wanneer een band níet doorbreekt. Toby Litts I Play The Drums In A Band Called Okay (Penguin, €10,-), verhaalt van een act van het kaliber Coldplay, maar laat vooral weten dat er meer is in het leven dan filosoferen over gitaarriffs: ‘Je kan je als een alien gedragen als je twintig bent’, aldus Litt in een interview, ‘maar je bent een rare snijboon als je zo wilt zijn op je veertigste.’ En Tim Thorntons The Alternative Hero (Vintage, € 16,-) gaat over een loser op leeftijd die in dat opzicht van ontwikkeling verstoken is gebleven. Zijn Clive Beresford maakt zich druk over het verdwijnen van de bandjes waar hij van houdt en doet zijn best zijn grote idool – een eikel eersteklas – te ontmoeten.

Twee emoties vechten om voorrang in deze romans: melancholieke hunkering en giftig cynisme. (Litt beschouwt zijn roman als een ‘grafschrift’ omdat de zaak ‘in essentie ter ziele is.’) Beide emoties suggereren dat er ergens iets mis is gegaan. Muziek is van onderschikt belang geworden. Creatieve geesten zijn naar de bodem van de handelsketen afgezakt en hebben boven zich in toenemende mate een verkeerd soort mensen moeten dulden.

Nivens boek is het meest hysterische van het stel, maar – zo vrees ik – ook het eerlijkst. Hoewel de uitgever ons wil doen geloven dat het het verhaal is van de overgang van Thatcherisme naar Tony Blairs New Labour, is het primair een roman à clef. Is de overschatte rapper Rage toevallig de onhandelbare rapper Goldie? Zijn de kijvende muziekanalfabeten in meidengroep Songbirds toevallig het door London Records getekende All Saints? Debbie Harry wordt gewoon met naam en toenaam uitgemaakt voor verlopen hoer, en Geri Halliwell van de Spice Girls zou volgens Stelfox nog met open mond een zwembad vol hiv-besmet sperma oversteken om platen te verkopen. Veel van wat Niven beschrijft is cliché – de drank, de drugs, de halfdebiele muziekmarionetten – maar hij maakt de clichés smakelijker met een overdrive. Zo onderstreept hij dat ze de met water aangelengde versies van de werkelijkheid zijn.

Waar Johnstone op aandoenlijke wijze zijn liefde voor de zo belegerde muziek betuigt, en waar Litt heeft ontdekt dat de wereld niet draait om nieuwe releases, daar is Niven vooral kwaad. De voormalige gitarist moet van muziek gehouden hebben – een liefde die hij na zijn dienstverband bij London Records terug zal hebben gevonden tijdens het schrijven van zijn debuutnovelle, een fictieverslag van het maken van het klassieke The Band-album Music from Big Pink – maar hij heeft toegestaan dat die liefde door de industrie werd uitgedrukt als een sigarettenpeuk.

In Kill Your Friends wordt niets gesuikerd. Deze genadeloze afrekening kent geen moment van berouw, geen happy end. Het onrecht zegeviert. Ziek, zielig en om te janken – maar wel zo opgeschreven dat je geregeld in weerwil van jezelf in lachen uitbarst.

    • Auke Hulst