Gretig zoeken naar 'soul' in bijna alles

Roel Bentz van den Berg: Engelen in regenjas. Augustus, 192 blz. € 18,90

Overal in het werk van Roel Bentz van den Berg duiken engelen op; in zijn roman Dagen van vertrek (2004), in Zapdansen, waarvoor hij in 2007 de Jan Hanlo Essayprijs kreeg, en in zijn nieuwe bundel, Engelen in regenjas. En dan gaat het niet om bijbelse gevleugelde boodschappers, maar om toevallig opduikende vreemden die je nog net voor een tram wegtrekken, en om goede geesten die ’s nachts de wereld repareren om te zorgen dat die weer een dagje mee kan.

Die engelen zijn een van de middelen waarmee Bentz van den Berg de kloof probeert te dichten die Descartes op zijn geweten heeft, de kloof tussen denkende ikken en dode materie, het onderscheid tussen subject en object. Ergens in die kloof is onze ziel verdwenen, de ziel die ons met de wereld verbond en waarvan we (stom! stom!) vrijwillig afstand hebben gedaan. Hoeveel verschillende onderwerpen Bentz van den Berg in de essays en verhalen in Engelen in regenjas ook aansnijdt, uiteindelijk gaan al zijn stukken over pogingen die vergissing ongedaan te maken. Je zou zijn werk kunnen samenvatten als een zoektocht naar de ziel – al heeft Bentz van den Berg het liever over ‘soul’, omdat dat woord meer omvat, dieper graaft en mooie muzikale connotaties heeft.

Muziek is belangrijk in het universum van Bentz van den Berg. In Zapdansen omschreef hij zichzelf als een rock-‘n’-rollboeddhist. En inderdaad, als je hem in één beeld zou willen vatten, dan rijdt hij over een lost highway, op zoek naar verlichting, met de autoradio aan.

Engelen in regenjas is een vervolg op Zapdansen, met dit verschil dat deze bundel in tegenstelling tot zijn bekroonde voorganger ook langere stukken bevat, die niet eerder in deze krant verschenen. Wat niet is veranderd, is de gretige blik waarmee Bentz van den Berg om zich heen kijkt en verbanden legt. Hij zapt heen weer tussen films, boeken en muziek, en tussen hoge en lage cultuur (nog een kloof waar hij zich niets van aantrekt), zonder de indruk te wekken dat hij zijn lezers wil verblinden met zijn kennis. Hoe breed zijn blik is blijkt uit het register, waar Ezra Pound wordt gevolgd door Elvis Presley, Charles Darwin door Bette Davisen, zenmeester D.T. Suzuki door socioloog Abraham de Swaan. En er zit niemand bij tegen wie je zou willen uitroepen: wat doe jíj hier nou?

Soms dreigt Bentz van den Bergs zoektocht-in-afleveringen ten onder te gaan aan een tussen de regels opdoemende zwaarte, eenzelfde looiigheid die je kunt aantreffen in het solowerk van George Harrison, ook iemand die op een gegeven moment bij het boeddhisme uitkwam. Maar waar bij Harrison die zwaarte zich regelmatig vertaalde in een vermoeiend gejengel, slaagt Bentz van den Berg erin het toch altijd licht te houden, omdat hij geen gelovige is, maar een verkenner – en vooral omdat hij een uitstekend schrijver is. Lees bijvoorbeeld het stuk ‘Het ritme van de stilte’, waarin hij het spel van drummer Max Roach beschrijft, een feest van mooie beelden en rake vergelijkingen dat alinea’s lang doorgaat.

Engelen in regenjas staat vol met dergelijke passages. Ze zijn niet alleen een genot om te lezen, ze maken ook duidelijk waar het Bentz van den Berg uiteindelijk om gaat. Met instemming citeert hij de Amerikaanse schrijver Raymond Carver: ‘Wat heb je aan inzichten? Die kunnen de zaak alleen maar verergeren.’ Het gaat niet om inzichten, het gaat erom je zintuigen te gebruiken. Kijken! Luisteren! Als dat al inzichten oplevert, dan alleen tijdelijke, die meteen weer uitdoven zodra je ze achter je hebt gelaten, als de oplichtende stoeptegels waar Michael Jackson overheen danst in de clip van ‘Billie Jean’. Ook al zou je misschien liever een stoep zien waarin het licht wat langer blijft branden, die aan- en uitfloepende tegels zorgen wel voor een vrolijk effect, dat alle zwaarte opheft.