Een intuïtief werk-in-uitvoering

De schrijver bestaat uit een persoonlijk en sociaal ‘ik’, vond Marcel Proust. En dat wilde hij de toen beroemde filosoof Sainte- Beuve eens goed inwrijven. Daar kwam niets van terecht. Fictie nam het roer over.

Marcel Proust, écrivain français, en 1921. Marcel Proust Foto AFP Photographie de la B.N.F. RV-864999 ROGER_VIOLLET

Marcel Proust: Tegen Sainte-Beuve. Relaas van een ochtend. Samengesteld en vertaald door Marjan Hof. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 324 blz. € 34,95

Als een boek het gevolg is, dan is een schrijver de oorzaak. Dat is het causaliteitsbeginsel waarmee we literatuur wetenschappelijk kunnen bestuderen. Zo redeneerde Charles-Augustin Sainte-Beuve (1804-1869), de machtigste Franse criticus van de 19de eeuw. Zijn methode, afgeleid van de geschiedwetenschap, bestond eruit een literair werk te verklaren uit de biografie van de schrijver, waartoe hij zich in diens correspondentie verdiepte en de mensen uit diens omgeving ondervroeg. Informatie over erfelijkheid, milieu en opvoeding, niets ontging hem. Het literaire werk was immers niet te scheiden van de mens erachter, of zoals Sainte-Beuve het uitdrukte: ‘de appel valt niet ver van de boom’.

Zijn methode was in zoverre onfeilbaar dat die hem in staat stelde niet slechts één, maar werkelijk alle grote schrijvers van zijn tijd over het hoofd te zien. De loftrompet stekend over mindere goden, miskende hij het genie van Balzac, Hugo, Stendhal en Flaubert; over Baudelaire, die hij persoonlijk kende, wist hij niets beters te schrijven dan dat het ‘een vriendelijke jongen’ was.

Sainte-Beuve zou tegenwoordig al net zo vergeten zijn als de door hem opgehemelde auteur Marcel Proust (1871-1922) rond 1907 niet het idee had opgevat een essay tegen hem te schrijven, minder om diens reputatie aan te vallen, want die was toen al wat gehavend, dan om al doende zijn eigen literatuuropvatting te formuleren. Proust beweert dat een boek het product is van het ‘diepe ik’ van een schrijver, wat heel iets anders is dan het ‘maatschappelijke ik’, waar zijn kennissen je over kunnen vertellen.

Het cruciale verschil is de afzondering waarin de schrijver zich hult als hij aan het werk gaat: ‘En omdat [Sainte-Beuve] niet de afgrond heeft gezien die gaapt tussen de schrijver en de man van de wereld, omdat hij niet heeft begrepen dat het ik van de schrijver zich alleen toont in zijn boeken en dat de schrijver aan mensen van de wereld (zelfs aan andere schrijvers, die in de wereld evenzeer mensen van de wereld zijn en pas in afzondering weer schrijver worden) hooguit een man van de wereld zoals zijzelf toont, lanceert hij die fameuze methode [...]’ - wie Proust kent, begrijpt dat de zin hier pas halverwege is.

Proust, een dertiger op het moment dat hij het bovenstaande schreef, wist waarover hij het had. Was er ooit een schrijver met twee gezichten, dan was hij het wel. Zijn Parijse kennissen zagen hem als een welbespraakte snob die, tot in de puntjes verzorgd met die witte orchidee in zijn knoopsgat, alle salons afliep. En uit zijn persoonlijke brieven, waarvan de onoprechte toon snel gaat tegenstaan, rijst het beeld op van een plakkerig, geëxalteerd type. Dat is het portret van de man achter het werk. Maar de man ín het werk, dat wil zeggen in de romancyclus die hem beroemd zou maken, Op zoek naar de verloren tijd, is een filosoof, een onvermoeibare waarheidszoeker.

Knipmessende hoveling

Om het dualisme van het diepe ik en het maatschappelijke ik te illustreren schrijft Proust over Baudelaire, in zijn verzen een vorst, maar tegenover Sainte-Beuve, van wie hij een gunstig regeltje in de krant hoopte los te peuteren, een knipmessende hoveling. Vervolgens wijdt Proust kritische stukken aan andere Franse schrijvers, waarbij het verband met Sainte-Beuve allengs losser wordt. Deze beschouwingen werpen niet alleen licht op de besproken schrijvers – zijn karakteriseringen van Balzac en Flaubert zijn meesterlijk – maar ook op Prousts eigen werk en intenties. Het is alsof hij het over zichzelf heeft wanneer hij schrijft over de ‘moeizame poging’ van Gérard de Nerval ‘om troebele nuances, verborgen wetten en haast onvatbare indrukken van de menselijke ziel voor zichzelf te omschrijven, te bevatten en tot klaarheid te brengen’. En in zijn kritiek op Romain Rolland formuleert hij een Proustiaans principe: ‘er is maar één manier om te schrijven voor iedereen, en dat is schrijven zonder aan iemand te denken, uitgaand van wat er aan wezenlijks en dieps in je zit.’ Een schrijver moet afdalen in zijn innerlijk, daar bevindt zich de ware werkelijkheid, niet in de materiële wereld. Wil je grote kunst maken, dan moet je je dus niets aantrekken van de mensen die roepen: ‘Muffe kliekjeslucht! Ga toch eens lekker naar buiten! Wat kan dat denken van jullie mij schelen!’ (Proust citeert hier uit romans van Rolland). Kortom, als een echte schrijver straatrumoer hoort, sluit hij snel de ramen.

Zo ontwikkelt Proust met andere auteurs als vertrekpunt zijn eigen ideeën, zoals hij dat eerder deed in de noten bij zijn vertaling van Sesame and Lilies van de Engelse kunstcriticus John Ruskin. Ook het thema van tijd en geheugen, dat hij later groots zal uitwerken, blijkt al geruime tijd door zijn hoofd te spoken. Maar Proust aarzelt over de vorm die hij aan zijn ideeën moet geven. Hij wil ze enerzijds in een klassiek essay helder uiteenzetten, anderzijds in een roman behandelen.

Hij is ervan overtuigd geraakt, onder meer door het werk van de filosoof Henri Bergson, dat het verstand inferieur is aan de intuïtie, en om uitdrukking te geven aan dit inzicht, dat nauw samenhangt met zijn ideeën over tijd en geheugen, is de evocatieve kracht van fictie toepasselijker dan het zakelijke essay. ‘Met de dag hecht ik minder waarde aan het verstand,’ schrijft hij. Er is echter nog een dwingender reden om voor de romanvorm te kiezen: Proust is nu eenmaal een romancier. Voorlopig twijfelt hij daar, ongelooflijk maar waar, nog hevig aan en hij kiest voor een vorm tussen verhaal en essay in.

Welterusten

Hij schrijft over een jongeman die tegen de ochtend naar bed is gegaan (hij slaapt overdag, net als Proust zelf) en ligt te wachten totdat zijn moeder hem de post komt brengen en welterusten wensen. Er gaan allerlei gedachten door hem heen. Dan komt zijn moeder, die hem de krant geeft. Daarin staat tot zijn vreugde een artikel van zijn hand – het is de allereerste keer dat iets van hem in druk verschijnt. Hij praat met zijn moeder uitvoerig over een nieuw stuk dat hij wil schrijven... over de methode van Sainte-Beuve. Deze gekunstelde opzet is de kern van Tegen Sainte- Beuve. Proust schrijft beurtelings essayistische en verhalende fragmenten, in de hoop dat die zullen passen in de hybride structuur die hem voor ogen staat.

Uiteindelijk laat Proust die problematische mengvorm varen en geeft hij ruim baan aan de onontkoombare roman Op zoek naar de verloren tijd – zij het een roman waarin hij al zijn theoretische invallen weer binnensmokkelt, dus een roman met een sterk essayistische inslag. Maar het is toch echt een roman.

De vertalers van Tegen Sainte-Beuve (Martin de Haan, Jan Pieter van der Sterre en Rokus Hofstede, opererend onder de naam Marjan Hof) schrijven in hun voorwoord: ‘Dit is geen boek van Marcel Proust. Het is ook geen reconstructie van een boek dat Marcel Proust had kunnen publiceren. Contre Sainte-Beuve is nooit meer geweest dan een project, dat door zijn eigen potentie uit zijn voegen is gebarsten en naadloos overgegaan in een veel ambitieuzer werk: À la recherche du temps perdu.’

De 700 pagina’s manuscript die tot het corpus Contre Sainte-Beuve worden gerekend, zijn nooit integraal gepubliceerd. De vertalers hebben daaruit deels andere fragmenten geselecteerd dan de samenstellers van eerdere edities, twee Franse en een Duitse, die onderling ook weer sterk verschillen. Ze hebben ervoor gekozen het incoherente, schetsmatige aspect van dit werk-in-uitvoering duidelijk te laten uitkomen; een gedurfde keuze, die literair-historisch gezien interessant uitpakt, maar wel ten koste van de leesbaarheid gaat.

Proust was een berucht herschrijver, en de Nederlandse lezer krijgt sommige fragmenten in diverse varianten voor zijn kiezen. Het voordeel daarvan is dat de werkwijze van Proust zichtbaar wordt, die al schrijvend zijn gedachten ontwikkelde. Ook bij het vertalen hebben de samenstellers Proust niet willen parfumeren: ‘lelijke zinnen zijn lelijk geworden,’ schrijven ze in hun verantwoording, maar daaraan mag worden toegevoegd dat ze Prousts meesterschap in de meer uitgewerkte passages volledig recht doen.

Tegen Sainte-Beuve is een collage voor de echte Proust-liefhebber, die hiermee zicht krijgt op de ontstaansgeschiedenis van dat onvergelijkbare kunstwerk Op zoek naar de verloren tijd. En wie wel begonnen is in die romancyclus, maar nooit is toegekomen aan het slotdeel, waarin Proust omstandig uitlegt waarom een in thee gedoopte madeleine zijn hoofdpersoon nu eigenlijk zo extatisch gelukkig maakt, vindt hier de achterliggende theorie in een notendop.

Dit alles ten koste van Sainte-Beuve. Het door elkaar halen van de schrijver en zijn werk, zoals hij methodisch deed, wordt tegenwoordig als een klassieke valkuil beschouwd. Proust zelf tuimelt er trouwens met open ogen in wanneer hij Balzac bespreekt. Krijgt de verguisde criticus toch nog zijn wraak.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Proust

Door een fout ter redactie is in Marco Kamphuis’ artikel Een intuïtief werk-in-uitvoering (Boeken, 15 mei, pagina 13) sprake van de door de criticus Sainte-Beuve ‘opgehemelde auteur Marcel Proust’. Sainte-Beuve stierf echter in 1869, twee jaar voor de geboorte van Proust.